Posts tonen met het label filosofie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label filosofie. Alle posts tonen

maandag 19 maart 2012

Vragen van kinderen

Het thema waar we sinds de voorjaarsvakantie in groep 3 mee aan de slag zijn gegaan is "Ik heb van alles aan mijn hoofd".

We willen van alles weten over onze ogen, onze oren, onze neus en onze mond. Morgen gaan we met z'n allen naar het consultatiebureau. Want op het consultatiebureau kijken ze niet alleen hoe zwaar je weegt en hoe lang je bent, maar ook of je goed kan zien en horen. We gaan in de klas consultatiebureautje spelen, dus nu willen we eerst eens precies zien wat daar ook alweer allemaal gebeurt en hoe het in z'n werk gaat.

Vandaag bedenken de kinderen ter voorbereiding van ons bezoek allemaal een vraag die ze willen stellen aan de consultatiebureau-arts. Veel kinderen willen weten waarom je een prik moet. Uiteraard is dat wat hen het helderst is bijgebleven, die prikken! Bijna alle vragen die de kinderen bedenken zijn weetvragen. Er is iemand die het antwoord weet, en misschien is het wel de consultatiebureau-arts.

Éen vraag springt eruit. Guus (6 jr) heeft genoteerd: "Als de dokter weet dat je niet goed kan zien, moet je dan een bril of mag je dan een bril?"

Niemand kan op die vraag een eenduidig antwoord geven. Het is niet het soort vraag waarop iemand het juiste antwoord weet, al zoek je iemand die nóg zoveel geleerd heeft over ogen en brillen. Het is geen weetvraag. Het is een denkvraag. Mogelijk is het zelfs een ethische vraag. De vraag roept minstens vragen op over de betekenisnuances van het woord 'moeten'.

Bas Haring laat op zijn cd "Waarom" zijn gedachten gaan rond de vraag: "Móét je naar school?" Daarbij wijdt hij uit over de betekenis van 'moeten'. Soms betekent moeten: als je het niet doet ga je dood, en andere keren betekent het: als je het niet doet ga je de gevangenis in, of je krijgt een boete, of straf. Soms betekent 'moeten', dat het heel dom of onverstandig is om het niet te doen. Waarbij je weer de vraag kunt stellen: volgens wie is het dan dom of onverstandig?

En hoe zit dat nou met een bril, als de dokter weet dat je niet goed kan zien? Moet je dan een bril of mag je er een? En als het 'moeten' is, wat is dat dan voor soort 'moeten'?

Soms denk je misschien bij een vraag van een kind: dat is geen goede vraag, want er is geen antwoord op, je kunt het niet opzoeken. Misschien denk je bij zo'n vraag: wat moet ik ermee? Maar pas op, wiedt 'm niet uit als onkruid. Het zou zomaar een filosofische vraag kunnen zijn.

donderdag 14 april 2011

Wärmen und Säen

Als je iemand iets leert, wat doe je dan precies? Plant je een zaadje - voeg je iets van buitenaf toe - of is dat zaadje er al, en is wat je te doen staat dat zaadje laten ontkiemen door het te koesteren en verwarmen?

Hoe vaak leer je iets volstrekt nieuws? Is het wel mogelijk iets te leren dat op geen enkele manier refereert aan wat je al weet? Is het vergroten van kennis niet eerder zoiets als het uitbotten van een nieuwe loot aan de boom die uit dat eerste zaadje is gegroeid? En zijn het niet de warmte van de zon en de voeding uit rijke grond die maken dat nieuwe loten ontspruiten?

Quintilianus trekt de vergelijking tussen het onderwijs en de landbouw verder door: "Boeren zijn van mening dat jong loof niet gesnoeid mag worden, omdat het schrikt van het ijzer en nog geen litteken kan velen. Juist dan moet de leraar aardig zijn, opdat de van nature harde geneesmiddelen door zijn milde hand worden verzacht. Hij zal sommige dingen prijzen, andere tolereren, hij zal ook zinnen veranderen met verantwoording van de reden waarom hij dat doet, en soms zal hij een passage helderder maken door er iets van zijn eigen hand tussen te plaatsen." Ook hier is leren: koesteren, voeden en verwarmen wat in het kind zelf groeit.

Maar waar komt dan dat eerste zaadje vandaan? Bij Plato staat beschreven hoe de ziel, voordat hij in een mens vaart, alle kennis van het ware, het goede en het schone al bezit. Bij het mensworden gaat die kennis verloren. Leren is in deze beeldspraak het opheffen van het geheugenverlies. Ook daar speelt warmte een rol.

In Plato's dialoog de Phaedrus houdt Socrates hierover een levendig betoog. Als iemand iets meemaakt waardoor zijn ziel zich iets van de kennis herinnert die hij voor de geboorte bezat, begint hij te gloeien en te zweten. Hij krijgt er kippenvel van. Kippenvel, dat is hier - schitterend beeld - het uitbotten van de veren van de ziel. Bij de herinnering aan de verloren gewaande kennis willen de veren van de ziel, die bij het mensworden zijn uitgevallen, weer groeien. Dat is leren.

Tot zover enige gedachten bij één van de motto's boven dit blog, ontleend aan de Duitse romanticus Jean Paul: "Leren - dat is veeleer verwarmen dan zaaien."

woensdag 20 oktober 2010

Ideas worth spreading

Via LinkedIn stuitte ik op de betogen van Sir Ken Robinson, iemand die van alles te zeggen heeft over het huidige onderwijssysteem en wat daar volgens hem aan zou moeten veranderen. De video's zijn online gezet door TED, een organisatie die "ideas worth spreading" op deze wijze wereldkundig maakt. Die noemer is goed gekozen. Ideeën die tot denken bewegen zijn alleen al om die reden het verspreiden waard, juist ook als ze prikkelen tot kanttekeningen.

Robinson typeert het huidige onderwijssysteem als een fastfoodketen. Overal in de wereld kun je een hamburger halen bij MacDonalds, en die zal overal precies hetzelfde smaken. Het streven van fastfoodketens is eenvormigheid, en volgens Robinson leidt ook het huidige onderwijssysteem tot eenvormigheid. Volgens Robinson is het onderwijs zoals het nu is er eenzijdig op gericht academici af te leveren, alsof dat het enige soort mensen is dat deugt.

Ik geef Robinson gelijk als hij beweert dat het onderwijs resulteert in gelijkvormigheid. Maar dat het hoogste streven van onderwijsinstellingen is, academici voort te brengen, lijkt me onjuist. Zelfs universiteiten bieden niet langer een passende omgeving voor rechtgeaarde intellectuelen. De uniformiteit in het mensbeeld dat het onderwijs uitdraagt - tot de universiteiten aan toe - is veeleer het gevolg van eenzijdig marktdenken.

Robinson houdt een pleidooi voor kunstonderwijs. Hij wijst erop dat kinderen op school systematisch "divergent thinking" wordt afgeleerd, en de remedie daartegen zou onder meer kunstonderwijs zijn. Misschien is dat juist. Echter, intellectuele arbeid en filosofische reflectie (academische vaardigheden) zijn niet tegengesteld aan creatieve vakken, maar zijn er onderdeel van. Filosofie is bij uitstek een vak dat afwijkend denken stimuleert en koestert.

Picasso zou gezegd hebben dat alle kinderen kunstenaars zijn, en dat de moeilijkheid is, kunstenaar te blijven zodra je opgroeit. Iets soortgelijks zou je kunnen zeggen over filosofie. Alle kinderen zijn filosofen, maar de meeste leren het af om zich overal over te verwonderen, want dat brengt geen brood op de plank, en veel grote mensen vinden het domweg irritant, al dat gevraag.

Een fundamenteel probleem in het onderwijs is de eenvormigheid van het geïmpliceerde mensbeeld en de afwezigheid van reflectie daarop. Maar als je die eenvormigheid zou willen karakteriseren dan zou ik zeggen dat het niet de academische mens maar veeleer de lucratieve mens is, die het onderwijs op het oog heeft.

Hoe het ook zij, welk model ook impliciet wordt nagestreefd met de vorming die het onderwijs biedt, het probleem zit hem in de eenzijdigheid, en de oplossing is te vinden in oog voor de waarde van veelvormigheid.

donderdag 27 mei 2010

De ervaring als ijkpunt

Filosofie, dat is niet alleen dat alles wat filosofen hebben opgeschreven in moeilijke boeken, het is ook heel goed kijken naar de dingen en aldoor proberen je gedachten en ervaringen uit te drukken in zorgvuldig gekozen woorden, waarbij je je steeds afvraagt of die woorden nu werkelijk precies zeggen wat je ziet. En dan ook echt wat jij ziet, en niet wat anderen zeggen dat er te zien is, of wat wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond, of wat er in filosofische geschriften te lezen staat. Zelfs al is wat jij ziet nooit helemaal los te maken van alles wat ertoe bijgedragen heeft dat jij hebt leren zien wat er te zien is en daar woorden voor te vinden. Het gaat er toch steeds om je eigen woorden te vinden voor je eigen ervaringen.

Een socratisch gesprek kenmerkt zich doordat een filosofische vraag altijd gekoppeld wordt aan een concrete ervaring. De concrete ervaring fungeert als ijkpunt waarop we de woorden die we zoeken richten. Door vast te houden aan de concrete ervaring vermijd je in een socratisch gesprek dat je je in louter theoretische abstracties verliest.

De concrete ervaring kan een soortgelijke rol spelen bij het schrijven van teksten met kinderen op school. Het is de reden waarom in de werkwijze van Taalvorming altijd geschreven wordt naar aanleiding van een concrete, eigen ervaring, en er geen fantasieverhalen worden geschreven. Door uit te gaan van een concrete ervaring vermijd je dat iemand die er niet in slaagt te zeggen wat hij eigenlijk wilde zeggen, zijn verhaal simpelweg een andere wending geeft die hij wel in woorden kan vatten.

De concrete ervaring biedt houvast voor wie niet taalvaardig genoeg is voor virtuoze fantasieverhalen, en voor wie zich niet bekwaam acht op hoog abstractieniveau te filosoferen. Want die concrete ervaring is jouw ervaring, die heb je al, die heb je voor de geest. Het gaat er maar om die ervaring heel precies van alle kanten te bekijken, er als het ware in gedachten in rond te lopen en de woorden te vinden die uitdrukken wat je dan ziet.

donderdag 15 april 2010

Filosoferen in je moedertaal I

Ger Groot schrijft in de boekenbijlage van de NRC van 9 april 2010:

"Wanneer filosofieboeken alleen nog maar dienen om bepaalde inzichten te populariseren, hoeft er niet meer ín en mét een taal te worden gedacht en geworsteld om die gedachten onder woorden te brengen. Hoe nuttig dat genre ook mag zijn, het is niet krachtig genoeg om de filosofische cultuur die in Nederland sinds enige tijd op gang is gekomen ook duurzaam op gang te houden.

Daar komt een groter probleem bij. Omdat filosofie zo intiem verbonden is met de taal waarin ze zich uitdrukt, heeft de keuze van die taal gevolgen voor haar inhoud. Daarin verschilt ze van natuurwetenschap die beschikt over een universeel (mathematisch) idioom. Zo universeel is de taal van filosofie nooit, al pretendeert het Engels dat vandaag de dag wel te zijn.

Bij nader inzien blijkt hoe vanzelfsprekend zo'n taalkeuze óók een keuze is voor de methode, het denkklimaat en zelfs de onderwerpkeuze van het vak."

woensdag 14 april 2010

Filosoferen met kinderen

Filosoferen is in zekere zin proberen te denken zoals een kind. Een kind dat nog niet vertrouwd is met de dingen en alles voor mogelijk houdt.

Filosofie is als een tekening van Lucebert, zoals hiernaast afgebeeld. Die doet denken aan een kindertekening, maar juist dat een volwassen man die schijnbare naïviteit tracht te benaderen is wat maakt dat het kunst is.

Daarom is de schitterendste koppoter van een kleuter nog geen kunst en daarom is de meest frapperende vraag van een kind nog geen filosofie. Of als die dingen kunst en filosofie zijn, dan zijn ze dat alleen voor de volwassene die ze als zodanig waarneemt, maar niet voor de kinderen zelf.

Het doet me denken aan de hilariteit die je soms veroorzaakte als kind, met een onbedoeld poëtische uitspraak. Het ergste was, als iemand dan midden in het gesprek van je wegliep om die uitspraak te noteren in een opschrijfboekje. Totaal negerend dat jij doende was met die ander te communiceren.

De wilde en de antropoloog.

Ik heb eens iemand gekend die geen kleuren kon zien. Ik ontmoette hem bij een schilderclubje. Hij gebruikte alleen zwarte en witte verf, maar er waren altijd mensen die wilden weten wat er uit zou komen als hij kleur zou gebruiken, en ze probeerden hem daartoe over te halen. Alsof hij een soort kermisattractie was en geen autonoom subject.

Als we gaan filosoferen met kinderen is dat dan omdat die kinderen daar iets aan hebben, of omdat het voor ons volwassenen zo heerlijk is om ons te laven aan hun verrukkelijke naïviteit?

Of is het, nog anders, omdat er dingen zijn waarin wij slechts in alle nederigheid de superioriteit van het kind kunnen aanvaarden? Als het om filosofische verwondering gaat dan zijn er immers geen betere leermeesters, al weten zij dat zelf niet, dan kinderen, die alles voor mogelijk houden. Want kinderen zijn mensen voor wie maar heel weinig vanzelf spreekt.

Filosoferen met kinderen is dan iets halen bij en niet iets brengen aan kinderen. Zolang dat helder is, kan het voor volwassenen een hele nuttige aangelegenheid zijn. En voor kinderen kan het op de duur gunstig zijn als volwassenen beginnen te onderkennen dat zij niet in alle opzichten aan kinderen superieur zijn.

donderdag 8 april 2010

Vanzelfsprekendheden

Er is voor jonge kinderen nog maar heel weinig dat vanzelf spreekt. Het spreekt niet vanzelf dat de kraan met de rode stip warm is en de blauwe koud. Het spreekt niet vanzelf dat je, als je de knop naar rechts draait de kraan dicht draait en andersom open. Ook spreekt het niet vanzelf welke kant je op moet draaien om een tube tandpasta open te krijgen. Het spreekt niet vanzelf dat wat voor deze kraan en deze tube tandpasta geldt, voor alle kranen en alle tubes geldt. Het spreekt niet vanzelf dat na de winter de lente komt en dat daarin niets kan veranderen. Het spreekt niet vanzelf dat grote mensen geen invloed hebben op het weer. Het spreekt niet vanzelf dat de tafelpoten die je niet ziet er toch zijn. Het spreekt niet vanzelf dat een dier aan de andere kant van zijn kop nog een oog heeft. Het spreekt niet vanzelf dat televisiekijken van een andere orde is dan met de lego spelen. Het spreekt niet vanzelf dat een druif gezonder is dan een toverbal. Het spreekt niet vanzelf dat er geen rechtevenredig verband is tussen leeftijd en lichaamslengte.

Pas als je dingen vanzelfsprekend begint te vinden, wordt het tijd om filosofie te bedrijven.

vrijdag 26 maart 2010

Misverstand

Als ik zo nu en dan lucht geef aan mijn twijfels of ik het in het basisonderwijs nog wel uithoud, vragen mensen zelden wat de aanleiding tot die twijfel is. Ze veronderstellen zonder door te vragen heel gemakkelijk dat het niveau van de leerstof en de leerlingen mij wel zal vervelen. Omdat ik me tenslotte ook heb beziggehouden met vaak moeilijk te doorgronden teksten uit de geschiedenis van de filosofie, en daarover heb geschreven en onderwezen op academisch niveau. Geen wonder dat het me moest gaan vervelen om kinderen de eerste beginselen van lezen, schrijven en rekenen bij te brengen.

Men veronderstelt kennelijk dat zij die een rijke geestelijke ontwikkeling deelachtig zijn zich in de omgang met het lagere zullen vervelen. Dit zou dan zo zijn “omdat zij het beneden hun waardigheid achten aandacht te besteden aan het meer elementaire niveau, of omdat ze daartoe helemaal niet meer in staat zijn.”

Het onderwijs lijkt zelfs te zijn ingericht op grond van de opvatting “dat jonge kinderen niet direct aan de meest uitnemende geesten moeten worden toevertrouwd, alsof een middelmatig docent geschikter zou zijn voor beginonderwijs, omdat hij gemakkelijker te begrijpen en na te volgen zou zijn en minder trots om die vervelende beginselen voor zijn rekening te nemen.”

Er is hier sprake van een misverstand. Niet alleen “blinkt niemand uit in het hogere als het lagere hem ontbreekt”, maar ook is het zo dat het lagere een grotere rijkdom prijsgeeft aan degene met een ontwikkelde geest. Een kikker neemt enkel ooievaars en vliegen waar, en heeft geen zintuig voor wat buiten het kader valt van eten en gegeten worden. Voor een middelmatig docent is de leerstof na een aantal jaren een slaapverwekkende routine. Maar voor een filosoof is het een even rijkgeschakeerde ervaring jonge kinderen te leren lezen als met studenten de Phaenomenologie des Geistes proberen te doorgronden.

Ik zou zelfs wel willen beweren dat er voor een filosoof in de klas met de kinderen meer is dat tot verwondering uitnodigt en tot denken aanzet, dan aan de universitaire halvarinefabrieken van vandaag.

* De aangehaalde passages zijn uit Quintilianus, die schreef over het onderwijs in de eerste eeuw van onze jaartelling (De opleiding tot redenaar II.3).

donderdag 25 februari 2010

De kunst om het zekere weten te voorkomen

Een tijdje terug probeerde ik onder woorden te brengen wat ik versta onder vroomheid, een woord dat bij velen in de eerste plaats de associatie met een soort religieuze braafheid lijkt op te roepen, maar dat voor mij iets heel anders betekent. Zoiets als liefdevolle aandacht voor de dingen. Een soort bewonderende verwondering over het gegeven dat ze er zijn, en over de manier waarop ze zich voordoen.

Op zoek naar een afbakening van een begrip helpt het soms om te bedenken wat er het tegenovergestelde van zou zijn. Het tegenovergestelde van vroomheid zoals ik die begrijp is - denk ik - gedachteloosheid. Je kunt zonder enig probleem leven en handelen zonder je ooit af te vragen waarom je de dingen doet zoals je ze doet. Je kunt de dingen die je nodig hebt gebruiken zonder werkelijk tot je door te laten dringen dat ze er zijn of hoe ze zijn.

Zo kun je bijvoorbeeld werken in het onderwijs zonder je er rekenschap van te geven of zelfs maar af te vragen wat je onder onderwijs verstaat, of wat volgens jou kenmerkend is voor de relatie tussen volwassenen en kinderen, of wat jouw verantwoordelijkheid is als onderwijzer. Gedachteloos. Alsof alles vanzelf spreekt.

Vroomheid is zoiets als beantwoorden aan het beroep dat de dingen op je doen. Je afvragen op grond van welke onuitgesproken veronderstellingen je doet wat je doet. De gesloten cirkel van vanzelfsprekendheden openbreken en de sprong wagen. Voor mogelijk houden dat de dingen anders zijn dan je dacht. Zorgvuldigheid.

Volgens Cornelis Verhoeven is wijsbegeerte de kunst om het zekere weten te voorkomen. Misschien zou je kunnen zeggen dat wijsbegeerte een oefening in vroomheid is.