jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen

~ Remco Campert

donderdag 30 maart 2017

Diversiteit voor de klas

Naar aanleiding van het artikel "Van taalachterstand naar taalenthousiasme" vn Frank van Heest, in Scienceguide dd. 29 maart, ontstond op twitter een felle discussie over de vermeende standpunten van de in het stuk geciteerde personen. 

Omdat ook mij de genoemde standpunten verwonderden, heb ik contact gezocht met Nienke Meijer, en zij was bereid mij telefonisch te woord gestaan. In het gesprek dat volgde, leerde ik haar kennen als een verstandige, nadenkende vrouw met hart voor de zaak van diversiteit voor de klas. Het stuk doet haar standpunt en - belangrijker nog - de zaak naar mijn indruk geen recht.

De vraag die ter discussie stond was: Hoe kunnen we zorgen voor meer diversiteit onder de mensen die voor de klas staan, en welke rol kan de opleiding daarin spelen?

Op de weg naar meer diversiteit in de opleiding en voor de klas is taalniveau - hoewel belangrijk - niet het grootste struikelblok. Het schakeltraject mbo-pabo, aangeboden door een aantal hogescholen in de randstad, is een stap in de richting van meer diversiteit voor de klas, zonder dat daarbij wordt ingeleverd op het vereiste niveau van toekomstige leraren.

De terugkerende focus op taalniveau vertroebelt echter de blik en helpt het vinden van oplossingen niet vooruit. Andere, moeilijker te overwinnen obstakels krijgen daardoor onvoldoende aandacht.

Scholieren die door hun migratieachtergrond heel wat te stellen hebben met de gevolgen van discriminatie, zullen bijvoorbeeld niet snel kiezen voor een beroep met een lage maatschappelijke status en een ongunstige salariëring zoals leraar in het basisonderwijs. Met het oog op diversiteit voor de klas zou daarom eindelijk serieus werk gemaakt moeten worden van de status en de salariëring van het lerarenberoep.

Dat is minder makkelijk scoren, maar wel een van de plekken waar het werkelijke probleem ligt. Dat is mijns inziens de reden waarom het belang van de kwestie van het taalniveau wordt gerelativeerd. Niet omdat men zorgvuldig taalgebruik bij leraren niet belangrijk vindt.

Met vriendelijke groet,
Hester IJsseling





Verstuurd vanaf mijn iPad

woensdag 8 maart 2017

Wat is pedagogiek? Wat is authentiek? Wat is het geweten?

Als je het me nu zou vragen, dan zou ik zeggen: pedagogiek is erop gericht, in de ander het verlangen te wekken om op een volwassen manier in de wereld te zijn. Volwassen, dat versta ik hier als: vrij en verantwoordelijk. Of misschien ook als: gewetensvol.

Het lijkt te beginnen met 'gezien worden', of zoals Wouter Pols het noemt: 'als subject verschijnen'.

Jan van Bijlert, Mattheus en de engel
In mijn onderzoek, dat ik dit jaar met subsidie van het Leraren Ontwikkelfonds uitvoer, ben ik met leraren uit het basisonderwijs op zoek naar ervaringen in de onderwijspraktijk waar iets lijkt te gebeuren wat te maken heeft met het begrip subjectivering.

Het is een begrip dat Gert Biesta gebruikt in zijn veel aangehaalde drieslag: kwalificatie, socialisatie en subjectivering - de domeinen waarop, zo stelt Biesta, het onderwijs feitelijk invloed uitoefent, en de domeinen waarop we volgens hem bewust doelen zouden moeten stellen.

Mij interesseert met name dat begrip subjectivering, omdat het het minst grijpbaar is. Het begrip subjectivering versta ik als: datgene wat in het onderwijs bijdraagt aan de manier waarop een kind een vrij en verantwoordelijk subject wordt. Subjectivering, dat gaat, zoals ik het nu versta, over de manier waarop in een kind het verlangen ontwaakt op een volwassen manier in de wereld te zijn.

Dus subjectivering, dat heeft met pedagogiek te maken, en vice versa.

In mijn onderzoek naar ervaringen uit de onderwijspraktijk die met subjectivering te maken hebben, komen we steeds uit op ervaringen waarin we in onze beleving het kind 'echt zien' en we 'echt contact' kunnen maken. Vaak is het een verhaal over een aanvankelijk moeilijk bereikbaar kind, met wie de leraar voor het eerst contact weet te maken - waarschijnlijk omdat het fenomeen daar het duidelijkst aan ons verschijnt. Steeds gaat het over momenten waar iemand - soms maar even - een glimp opvangt van het kind als iemand die iets 'van zichzelf' laat zien, iemand die 'vanuit zichzelf' iets in het spel brengt. Momenten waarop een kind 'als subject verschijnt' of 'subject wordt'.

Niet-filosofen die proberen onder woorden te brengen wat daar precies gebeurt, grijpen dikwijls naar het begrip 'authenticiteit' en 'hoe je echt bent'. Als filosoof weet ik hoe problematisch dat concept van 'het ware ik' is, en ik zoek naar manieren om enerzijds recht te doen aan die doorleefde ervaring van authenticiteit, en dat anderzijds in het reine te brengen met mijn intellectuele geweten.

Dat is nog een zoektocht.

En nu we het toch over het geweten hebben - 'Op een volwassen manier in de wereld zijn', dat zou je ook kunnen noemen: op een verantwoordelijke, of op een gewetensvolle manier in de wereld zijn.
Maar wat is dan de aard van dat geweten? Is dat niet even problematisch als het begrip 'authenticiteit'?

En nog afgezien daarvan: hoe hangt nu die ervaring van 'iemand echt zien' en 'echt gezien worden' samen met het 'wakker worden' van het geweten, de verantwoordelijkheid, het verlangen naar volwassenheid?

Ik weet wel, dat Levinas het gezegd heeft, maar ik doe fenomenologisch onderzoek, dat wil zeggen, ik ben op zoek naar de doorleefde ervaring waarin dat wakker worden aan ons verschijnt.

Met andere woorden: waar zien we in de ervaring het moment waarop een kind dat zich 'gezien' weet, in de pregnante betekenis van het woord, zich ook op een volwassen, verantwoordelijke, gewetensvolle manier begint te verhouden tot de mensen en de dingen om hem heen?

Ook dat is nog een zoektocht.

woensdag 30 november 2016

Vrijheid en digitalisering 2

Dat alles gezegd hebbende (zie vorige blogpost), heeft de digitale orde natuurlijk ook allerlei dingen mogelijk gemaakt, die er vóór het bestaan van het internet niet waren. Het is niet allemaal kommer en kwel, ook niet in mijn ogen.

De meeste van mijn onderwijsvrienden heb ik bijvoorbeeld via het internet gevonden – via twitter en blog - en het is daar dat ik het meest van gedachten wissel en het meest opsteek over onderwijs. 

De mensen die samen Het Alternatief hebben geschreven, vonden elkaar via sociale media, en die groep onderhoudt nog steeds contact met elkaar, onder andere via twitter. Ik heb het aan twitter te danken dat ik een school vond waar de schoolleider en de collega’s mij op waarde weten te schatten. Ik vond online de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor het onderzoek dat ik nu doe, en de leraren met wie ik dat project uitvoer heb ik ook deels via sociale media gevonden. Ik vind online allerlei artikelen en podcasts die mijn denken verrijken, en mensen met wie ik onderwijsavonturen beleef.

Toen Olaf de Groot op twitter zag dat ik met zijn hagelslagrobot-les in de weer was, ontstond bijvoorbeeld het plan om samen een blokfluitprogrammeerles te gaan doen en hij kwam daarvoor bij mij in groep 5 op bezoek.

Ook ontmoette ik via twitter Astrid Poot, en samen hebben we in groep 4 een gereedschapscircuit uitgeprobeerd met mijn klas. Later hebben we ook een keer samen met leraren een workshop Makered gedaan op een studiedag van mijn schoolbestuur, om leraren het specifieke maker-gevoel te laten ervaren.

En gisteren maakte ik met Don Zuiderman een podcast: ook die ontmoeting kwam via twitter tot stand.

Wat ik prachtig vind van communiceren via internet is dat iedere hiërarchie en iedere fysieke afstand wegvalt, en iedere drempel die dat zou kunnen opwerpen om in gesprek te gaan met een ander. Je kunt rechtstreeks met een minister, de staatssecretaris, de hoofdinspecteur van het onderwijs of een hoogleraar van gedachten wisselen, en allerlei geestverwanten opduikelen, en dat over de hele wereld, op voet van gelijkheid en thuis op de bank, terwijl boven je kinderen slapen en jij het fort bewaakt. In die zin is het internet buitengewoon bevrijdend.

In de klas zie ik ook zeker voordelen van digitale middelen. Op het digibord kun je alles wat je je klas over de wereld te vertellen hebt, illustreren met treffende beelden. Vragen waar je het antwoord zo gauw niet op weet, kun je opzoeken waar de kinderen bij zijn, zodat ze zien hoe jij dat doet en ze het straks zelf ook kunnen. 

Ik hou ervan in de klas – dit jaar groep 8 - verhalen te vertellen, over de Inca’s of over de bibliotheek van Alexandrië of over het wereldbeeld van Ptolemaeus en Copernicus, en die kan ik nu fijn illustreren met een prezi, tjokvol aansprekend beeldmateriaal. Ik ben daarvoor niet afhankelijk van wat er aan lesmateriaal voorhanden is. Daardoor ben ik vrij om de keuzes te maken die op dit moment bij deze groep passen.

In de klas maak ik gebruik van google docs. Ik geef in groep 8 schrijfdidactiek. De kinderen leren teksten schrijven in verschillende genres. Ik vind het belangrijk dat ze leren dat schrijven meer is dan in één keer iets op papier zetten. Schrijven is ook: schrappen, terugkijken, schaven en schuren. Het is niet te doen om dat herschrijven met de hand te doen. Dat doen grote mensen ook niet. We schrijven hooguit de eerste versie met de hand, en dan typen we het uit, en dan pas gaan we schaven. Dat leer ik de kinderen nu ook. 

Via google docs geef ik dan ieder kind afzonderlijk feedback via ‘suggesties’. We corresponderen via de mail over de tekst, alsof ik hun redacteur ben. Net echt! Ik kan zo veel meer recht doen aan al die schrijvertjes in hun uniciteit dan wanneer ik in een half uur 28 schriftjes van een paar rode strepen en krullen voorzie.

Natuurlijk brengt digitalisering ook allemaal leuke en goede dingen met zich mee. Waar het mij om gaat is dat je je niet laat leven door wat je via het scherm allemaal overspoelt, maar dat jij zelf kiest, elk moment weer. Dat je je niet laat ontmenselijken. Want zoals Douglas Rushkoff zegt, die een van mijn favoriete podcasts maakt (die over de relatie tussen mens en technologie gaat): "Humans are cool!" 

Het gaat mij erom dat je met al je aandacht bij de mensen en de dingen bent, in het hier en nu, en dat je je er vrij en verantwoordelijk toe verhoudt – in de reële, maar ook in de virtuele wereld. Wat ik belangrijk vind is dat wij, leraren, ons realiseren dat onze vrijheid op het spel staat, en dat we ook de kinderen daarvan bewust maken.

De vraag is: zet je digitale middelen in op een manier die bijdraagt aan de vrijheid en het verantwoordelijkheidsbesef van de kinderen, of op een manier die ze onvrij maakt en afstompt?