jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen

~ Remco Campert

woensdag 30 november 2016

Vrijheid en digitalisering 2

Dat alles gezegd hebbende (zie vorige blogpost), heeft de digitale orde natuurlijk ook allerlei dingen mogelijk gemaakt, die er vóór het bestaan van het internet niet waren. Het is niet allemaal kommer en kwel, ook niet in mijn ogen.

De meeste van mijn onderwijsvrienden heb ik bijvoorbeeld via het internet gevonden – via twitter en blog - en het is daar dat ik het meest van gedachten wissel en het meest opsteek over onderwijs. 

De mensen die samen Het Alternatief hebben geschreven, vonden elkaar via sociale media, en die groep onderhoudt nog steeds contact met elkaar, onder andere via twitter. Ik heb het aan twitter te danken dat ik een school vond waar de schoolleider en de collega’s mij op waarde weten te schatten. Ik vond online de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor het onderzoek dat ik nu doe, en de leraren met wie ik dat project uitvoer heb ik ook deels via sociale media gevonden. Ik vind online allerlei artikelen en podcasts die mijn denken verrijken, en mensen met wie ik onderwijsavonturen beleef.

Toen Olaf de Groot op twitter zag dat ik met zijn hagelslagrobot-les in de weer was, ontstond bijvoorbeeld het plan om samen een blokfluitprogrammeerles te gaan doen en hij kwam daarvoor bij mij in groep 5 op bezoek.

Ook ontmoette ik via twitter Astrid Poot, en samen hebben we in groep 4 een gereedschapscircuit uitgeprobeerd met mijn klas. Later hebben we ook een keer samen met leraren een workshop Makered gedaan op een studiedag van mijn schoolbestuur, om leraren het specifieke maker-gevoel te laten ervaren.

En gisteren maakte ik met Don Zuiderman een podcast: ook die ontmoeting kwam via twitter tot stand.

Wat ik prachtig vind van communiceren via internet is dat iedere hiërarchie en iedere fysieke afstand wegvalt, en iedere drempel die dat zou kunnen opwerpen om in gesprek te gaan met een ander. Je kunt rechtstreeks met een minister, de staatssecretaris, de hoofdinspecteur van het onderwijs of een hoogleraar van gedachten wisselen, en allerlei geestverwanten opduikelen, en dat over de hele wereld, op voet van gelijkheid en thuis op de bank, terwijl boven je kinderen slapen en jij het fort bewaakt. In die zin is het internet buitengewoon bevrijdend.

In de klas zie ik ook zeker voordelen van digitale middelen. Op het digibord kun je alles wat je je klas over de wereld te vertellen hebt, illustreren met treffende beelden. Vragen waar je het antwoord zo gauw niet op weet, kun je opzoeken waar de kinderen bij zijn, zodat ze zien hoe jij dat doet en ze het straks zelf ook kunnen. 

Ik hou ervan in de klas – dit jaar groep 8 - verhalen te vertellen, over de Inca’s of over de bibliotheek van Alexandrië of over het wereldbeeld van Ptolemaeus en Copernicus, en die kan ik nu fijn illustreren met een prezi, tjokvol aansprekend beeldmateriaal. Ik ben daarvoor niet afhankelijk van wat er aan lesmateriaal voorhanden is. Daardoor ben ik vrij om de keuzes te maken die op dit moment bij deze groep passen.

In de klas maak ik gebruik van google docs. Ik geef in groep 8 schrijfdidactiek. De kinderen leren teksten schrijven in verschillende genres. Ik vind het belangrijk dat ze leren dat schrijven meer is dan in één keer iets op papier zetten. Schrijven is ook: schrappen, terugkijken, schaven en schuren. Het is niet te doen om dat herschrijven met de hand te doen. Dat doen grote mensen ook niet. We schrijven hooguit de eerste versie met de hand, en dan typen we het uit, en dan pas gaan we schaven. Dat leer ik de kinderen nu ook. 

Via google docs geef ik dan ieder kind afzonderlijk feedback via ‘suggesties’. We corresponderen via de mail over de tekst, alsof ik hun redacteur ben. Net echt! Ik kan zo veel meer recht doen aan al die schrijvertjes in hun uniciteit dan wanneer ik in een half uur 28 schriftjes van een paar rode strepen en krullen voorzie.

Natuurlijk brengt digitalisering ook allemaal leuke en goede dingen met zich mee. Waar het mij om gaat is dat je je niet laat leven door wat je via het scherm allemaal overspoelt, maar dat jij zelf kiest, elk moment weer. Dat je je niet laat ontmenselijken. Want zoals Douglas Rushkoff zegt, die een van mijn favoriete podcasts maakt (die over de relatie tussen mens en technologie gaat): "Humans are cool!" 

Het gaat mij erom dat je met al je aandacht bij de mensen en de dingen bent, in het hier en nu, en dat je je er vrij en verantwoordelijk toe verhoudt – in de reële, maar ook in de virtuele wereld. Wat ik belangrijk vind is dat wij, leraren, ons realiseren dat onze vrijheid op het spel staat, en dat we ook de kinderen daarvan bewust maken.

De vraag is: zet je digitale middelen in op een manier die bijdraagt aan de vrijheid en het verantwoordelijkheidsbesef van de kinderen, of op een manier die ze onvrij maakt en afstompt?

Vrijheid en digitalisering 1

Als je naar digitale geletterdheid kijkt, dan denk ik dat het goed is om je af te vragen wat je ermee wil. Niet alleen: wat moeten kinderen kennen en kunnen en hoe moeten ze zich gedragen, maar: waar is het goed voor?

Goed onderwijs gaat niet alleen om de dingen die kinderen moeten weten en kunnen en de manier waarop je ze die dingen als leraar het beste aan hun verstand kan peuteren. Onderwijs en opvoeding zijn er als het goed is ook op gericht, dat kinderen zich vrij kunnen verhouden tot wat hun leraar en andere volwassenen hen allemaal aandragen. Het gaat er niet om dat ze braaf zijn en goed luisteren, maar dat ze uiteindelijk zelf kiezen, en dat ze goede keuzes maken.

Voor mij is het uiteindelijke doel van onderwijs dat mensen zich vrij en op een verantwoordelijke manier verhouden tot de mensen en de dingen om hen heen. Dat ze daar met hun aandacht bij zijn, en niet in een soort sluimerstand maar doen wat ze wordt opgedragen, of dat ze doen wat iedereen doet, als speelbal van alle mogelijke beïnvloeding.

De vraag die ik me ten aanzien van digitalisering stel is dan: Hoe kun je je vrij en verantwoordelijk verhouden tot de dingen die de digitalisering op je pad brengt? Hoe blijf je in die wereld overeind als uniek en autonoom subject? 

En welke rol spelen wij daarin als leraren, als we digitale middelen de klas inhalen, of als we in de klas op onbedoelde manieren met invloeden uit de digitale sfeer te maken krijgen?

Alom hoor je een luide roep om kinderen zo snel mogelijk onder te dompelen in de digitale wereld. Scholen zouden daar veel te voorzichtig mee zijn. Daar ben ik het niet mee eens. Ik denk dat het heel goed is om daar goed over na te denken en niet zomaar uitgelaten achter de hype aan te dartelen. 

Wat ik bijvoorbeeld heel merkwaardig vind, is dat er bij al het gejuich over ICT in het onderwijs zo weinig aandacht is voor het feit dat alles wat we online doen en iedere gadget die we de klas inhalen inmiddels onontwarbaar verstrikt lijkt te zijn in commerciële belangen, privacy issues en ondoorzichtige beïnvloeding. Ik twijfel er niet aan of commerciële partijen spelen een rol in de hijgerige sfeer van urgentie. Dat op zich is al beïnvloeding. Hoe vrij en verantwoordelijk verhouden leraren en onderwijsvernieuwers zich daartoe?

In de digitale wereld spelen allerlei kwesties een rol die te maken hebben met vrijheid en onvrijheid. Denk aan big data, marketing, privacy, personalisatie-algoritmen en allerlei vormen van manipulatie. Een aantal aspecten daarvan zijn onlangs nog weer eens heel helder in beeld gebracht door Maurits Martijn en Dimitri Tokmetzis van De Correspondent met hun boek Je hebt wel iets te verbergen en ook de Tegenlicht-aflevering What makes you click gaf te denken.
 
Ik weet niet meer waarom ik vind wat ik vind als ik via google iets opzoek. In hoeverre wordt wat ik vind door middel van personalisatie-algoritmen al voor mij voorgeselecteerd op basis van de karikatuur waartoe data-robots mij hebben gereduceerd? Er is sinds de oerknal nog nooit iemand geweest zoals jij, of zoals ik. We zijn volkomen uniek. Wat heeft het klantprofiel waartoe ik door die robots ben gereduceerd nog te maken met mijn unieke individualiteit?

In hoeverre worden mijn zelfbeeld en mijn wereldbeeld gevormd door de echoput waarin ik steeds datgene wat ik online al eerder aanklikte weer opnieuw terugkrijg? Wat wordt er allemaal bij mij weggehouden om me tot een steeds gemakkelijker te voorspellen klant te reduceren?

Kies ik waar ik op klik, of worden er psychologische spelletjes met me gespeeld om me tot klikken te manipuleren? Kies ik wanneer ik mijn sociale media check, of ben ik slaaf van het gevoel dat ik krijg bij een like of RT?

Internet doet net alsof het beter weet wie ik ben dan dat ik dat zelf weet, maar alles is gebaseerd op de veronderstelling van voorspelbaarheid. Vrijheid is precies de mogelijkheid, die er altijd is, dat je iets heel anders kiest dan wat in de lijn der verwachting ligt.

In hoeverre kun je je tot al die manipulaties vrij en op je eigen unieke manier verhouden? Het is belangrijk om kinderen te helpen om weerstand te bieden tegen de onvrijheden die de digitale orde met zich meebrengt. 

Om te beginnen zouden leraren en onderwijsvernieuwers zich zelf vrij en onafhankelijk een oordeel moeten vormen over deze kwesties, en zich de vraag moeten stellen: Waar is digitalisering goed voor? Wat willen we ermee en waartoe? En wat is - met het oog hierop - goed voor het onderwijs en voor de kinderen?

Luister ook naar de podcast die Don Zuiderman met mij maakte, over digitalisering en subjectwording.

vrijdag 16 september 2016

Spraakverwarring rond persoonsvorming en subjectwording

Vorige week was mijn tweede lerarenlab van het Lerarenontwikkelfonds. De dag stond in het teken van netwerken. In de ochtend sprak Jelmer Evers de verzamelde LOF-leraren toe. Een van de belangrijke dingen die hij zei, is dat er veel meer verandert als leraren met elkaar praten en plannen maken, dan wanneer schoolleiders, laat staan bestuurders dat doen.

De aanwezige leraren voegden direct de daad bij het woord en begonnen met elkaar van gedachten te wisselen over hun ideeën om het onderwijs te verbeteren. Ook ik greep de gelegenheid aan om leraren die ik nog niet eerder had gesproken te vertellen waar mijn project over gaat.

Ik begon met te vertellen dat het allemaal is begonnen met het werk van Gert Biesta, dat mij in het bijzonder aanspreekt. Daarbij viel op dat er - ook onder LOF-leraren en hun schoolleiders - nog heel veel mensen zijn die nog nooit van Biesta hebben gehoord. “Hoe schrijf je dat?” Dat op zich was voor mij een leermoment.

Vervolgens vertelde ik, dat het onderwijs volgens deze Biesta drie functies en drie doeldomeinen kent, te weten kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming. Verder dat het met name dat laatste begrip is waarvan ik nader wil onderzoeken wat dat voor de praktijk van het onderwijs betekent.

En wat opviel, is dat in feite iedere leraar en iedere schoolleider die ik sprak, ervan uitging dat hij of zij wist wat ik daarmee bedoel. “Oh ja, …”, en dan volgde er een reactie waaruit bleek dat de ander er iets onder verstond als talentontwikkeling, identiteitsbegeleiding, burgerschapsvorming, ontdekken waar je goed in bent en wat bij je past, sociaal-emotionele ontwikkeling…

Constante in de reacties leek, dat men veronderstelt hieraan in de klas te kunnen werken vanuit de positie van iemand die het weet, of minstens van iemand voor wie vooraf vaststaat hoe het moet, iemand die de juiste richting aangeeft aan de nog onwetende leerling. Sommigen wezen me op het bestaan van methodes waarmee hieraan gewerkt kan worden (De Vreedzame School, Leefstijl, Bildung).

En ik dacht: Nee. Dat bedoel ik niet. Hoe leg ik dat uit?

Bij sommigen lijkt het erom te gaan een of andere wezenskern van het kind naar boven te halen en aan het licht te brengen. Bij anderen lijkt het erom begonnen te zijn, de kinderen op te voeden tot fatsoenlijke mensen, waarbij vooraf vast lijkt te staan aan welke criteria zo’n fatsoenlijk mens moet voldoen.

En weer dacht ik: Nee. Dat bedoel ik niet. Hoe leg ik het uit? Waar komen deze misverstanden vandaan?

Na een gesprek met mijn schoolleider (Miriam Heijster) realiseerde ik me, dat het komt door het begrip persoonsvorming. Ik had me al eerder vragen gesteld bij hoe het nou zit met persoonsvorming en subjectivering - twee begrippen die Biesta gebruikt. Mijn schoolleider vroeg: Waarom gebruik je nu toch weer het woord persoonsvorming? Is dat niet waar de verwarring begint?

Ja, waarom? Ik denk, omdat het normaler klinkt, minder raar, minder afschrikwekkend dan het nogal obscure woord subjectwording. Want wat wil dat in vredesnaam zeggen? Mijn ervaring is dat mensen vaak terugdeinzen als je onder leraren al te opzichtig filosofisch wordt. Maar misschien moet ik dat niet schuwen.

Inmiddels denk ik, de ongewoonheid van dat woord is juist goed. Het is juist goed dat mensen niet meteen denken te weten wat je bedoelt. Dat zal het gesprek alleen maar ten goede komen. Soms moet je niet te snel begrepen willen worden, wil je niet voortdurend worden misverstaan.

Goed. Dus voortaan gebruik ik het woord subjectwording. Biesta gebruikt ook de woorden subjectivering en subjectificatie. Dat komt waarschijnlijk door het Engels, subjectification. Ik zou niet weten hoe je subjectwording zou moeten vertalen in het Engels, anders dan als 'becoming a subject'.

Ik geef de voorkeur aan subjectwording, omdat subjectificatie klinkt als een ‘maken’, en volgens mij gaat het niet om een maken maar om een ‘worden’. Een gebeuren. Een ‘évènement’. Er is niet iemand die een ander tot subject maakt, de leraar is niet de auteur van een subjectiveringsproces. Subject word je. Dat is niet iets wat iemand doet, nee, dat gebeurt, en het gebeurt in de ruimte tussen mensen die met elkaar contact maken.

Zoals ik heb proberen te benaderen in mijn vorige blogpost.