Met een paar collega's komen we eens per twee maanden bij elkaar om met elkaar in gesprek te gaan over goed onderwijs. Uitgangspunt voor gesprek is een boek of artikel dat een van de deelnemers heeft aangedragen. Deze keer lazen we The Global Achievement Gap van Tony Wagner. Het is niet in het Nederlands vertaald, en dat is jammer, want het heeft ook ons in Nederland veel te zeggen, en het lukt niet iedereen om zo'n boek in het Engels te lezen.
Het probleem dat Wagner signaleert is dat we het in het Westen niet gaan redden met hogere toetsscores op specifieke kennis en vaardigheden, terwijl dat wel precies is waarop westerse overheden zich blindstaren. We gaan het in de wereld niet redden als we ons beperken tot het aanleren van zoveel mogelijk feitenkennis en als we onze energie blijven steken in het dresseren van kinderen tot hoge scoorders op gestandaardiseerde toetsen. Op dat vlak zullen we het nooit winnen van de Aziaten, die zich even goed die kennis kunnen eigen maken en vervolgens hun werk voor een veel lager loon zullen uitvoeren dan wie ook in het Westen.
Waar we ons mee zouden kunnen onderscheiden in de wereld en waar we ons op zouden moeten richten, is wat Wagner de "7 survival skills" of "21st century skills" noemt. Die omvatten, vrij vertaald: 1. kritische reflectie, 2. leren in professionele leergemeenschappen of lerende netwerken, 3. het vermogen te dealen met het onbeheersbare, 4. proactiviteit, 5. effectieve communicatie, 6. analytisch vermogen, 7. nieuwsgierigheid en verbeeldingskracht.
Wat we nodig hebben, dat zijn "self-directed people" - proactieve, zelfsturende professionals die het gesprek aangaan met mensen die anders tegen de dingen aankijken zodat ze elkaar kunnen helpen de beste oplossing te vinden voor problemen die ze in hun werk tegenkomen. Mensen die hun visie helder en puntig onder woorden weten te brengen zodat ze er met anderen over in gesprek kunnen gaan. Mensen die de dingen niet voor lief nemen maar nieuwsgierig zijn naar hoe het anders en beter zou kunnen.
Onderwijsprofessionals - nu nog vaak de blik niet verder reikend dan de eigen klas - zouden veel meer met elkaar in gesprek moeten gaan over wat goed onderwijs is. Overheden en bestuurders zouden meer gelegenheid moeten bieden voor lerende netwerken waarin onderwijsprofessionals, binnen scholen maar ook schooloverstijgend, elkaar intellectueel uitdagen (p.151). Wat zou er gebeuren als leerkrachten gestructureerd en regelmatig de gelegenheid zouden krijgen om bij elkaar in de school en de klas te kijken en met elkaar in gesprek te gaan over gedeelde onderwijsvragen? (p.157)
Wagner verwijst naar het Finse model. In Finland, zegt hij, vertrouwt de overheid erop dat de denkkracht van de leerkracht het systeem tot optimale ontwikkeling brengt, in plaats van de leerkracht als stemloze uitvoerder van beleid te behandelen. In Finland gaat men ervan uit dat leraren zelf kritisch denken en een visie op onderwijs uitdragen in plaats van enkel maar 'aan de eisen voldoen' (p. 155).
Volgens Wagner is samenwerken in professionele leergemeenschappen, lerende netwerken, 'communities of practice' of hoe je ze ook maar wil noemen, de enige manier om de effectiviteit van het onderwijs significant op een hoger plan te brengen. Het is het isolement waarin leerkrachten werken dat de ontwikkeling van het onderwijs in de weg staat. (p. 164)
Dus niet méér toetsen en meer goochelen met cijfers, niet meer expertise van buitenaf, niet meer controle - maar meer openheid, meer contact, meer dialoog, meer samenwerking tussen de mensen die onderwijs geven.
Posts tonen met het label reflectie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label reflectie. Alle posts tonen
donderdag 15 november 2012
vrijdag 10 februari 2012
Tick the box
In de groepen 1/2 is er behoefte aan een checklist, waarmee je kunt bijhouden of alle specifieke kennis en vaardigheden aan bod zijn gekomen in de loop van het schooljaar, en in hoeverre de afzonderlijke leerlingen de gestelde doelen hebben behaald, met andere woorden, of ze die kennis en die vaardigheden beheersen.
Zulke lijsten bestaan, maar de vraag is in hoeverre ze verenigbaar zijn met ons onderwijsconcept. Ik wil hier eens voor mezelf nagaan waarom het idee van zo'n checklist wringt.
We streven ernaar ons onderwijs volgens het ontwikkelingsgericht onderwijsconcept vorm te geven. Dat houdt onder meer in, dat we niet alleen meetbare resultaten registreren, maar dat we ook het ontwikkelingsproces van de kinderen volgen en daarop aansluiten. In dat proces spelen nog andere aspecten een rol die vaak niet in cijfers uit te drukken zijn. We koesteren de nieuwsgierigheid, de onbevangenheid en het zelfvertrouwen van kinderen, en proberen die eigenschappen opnieuw aan te kweken bij kinderen die op dat vlak schade hebben opgelopen. Ook dat zijn doelen die we stellen in ons onderwijs.
Verder richten we de aandacht bewust op de manier waarop kinderen communiceren met elkaar, hoe ze samen spelen en werken, in hoeverre ze actief zijn en initiatief nemen om iets te weten te komen en de wereld te verkennen, of ze zich goed kunnen uiten, of ze fantasie, inlevings- en reflectievermogen hebben, of ze creatief zijn, in hoeverre ze hun impulsen de baas zijn, en of ze uit de voeten kunnen met de verschillende codes die gelden in de wereld van alledag.
Als je ontwikkelingsgericht onderwijs nastreeft, waarin al deze aspecten van de ontwikkeling van kinderen een rol spelen, en je gebruikt tegelijkertijd een checklist waarin deze brede bedoelingen niet opgenomen zijn, dan wekt dat de indruk dat ze van secundair belang worden geacht.
Tegelijkertijd lenen deze doelen zich niet goed voor een afvinklijst. Je kunt nieuwsgierigheid of reflectievermogen niet uitdrukken in een score. Om over dergelijke eigenschappen iets te kunnen zeggen, heb je ruimte nodig om observaties uit te schrijven. Dat kan in het logboek van Horeb. Op een afvinklijst is daar geen ruimte voor.
Het verlangen naar een checklist is een symptoom van het rekenende denken dat van meetbare resulten en controle houdt, en dat staat op gespannen voet met de werkelijke aandacht voor de ontwikkeling van kinderen en de reflexieve houding die leerkrachten in ontwikkelingsgericht onderwijs kenmerkt.
Zulke lijsten bestaan, maar de vraag is in hoeverre ze verenigbaar zijn met ons onderwijsconcept. Ik wil hier eens voor mezelf nagaan waarom het idee van zo'n checklist wringt.
We streven ernaar ons onderwijs volgens het ontwikkelingsgericht onderwijsconcept vorm te geven. Dat houdt onder meer in, dat we niet alleen meetbare resultaten registreren, maar dat we ook het ontwikkelingsproces van de kinderen volgen en daarop aansluiten. In dat proces spelen nog andere aspecten een rol die vaak niet in cijfers uit te drukken zijn. We koesteren de nieuwsgierigheid, de onbevangenheid en het zelfvertrouwen van kinderen, en proberen die eigenschappen opnieuw aan te kweken bij kinderen die op dat vlak schade hebben opgelopen. Ook dat zijn doelen die we stellen in ons onderwijs.
Verder richten we de aandacht bewust op de manier waarop kinderen communiceren met elkaar, hoe ze samen spelen en werken, in hoeverre ze actief zijn en initiatief nemen om iets te weten te komen en de wereld te verkennen, of ze zich goed kunnen uiten, of ze fantasie, inlevings- en reflectievermogen hebben, of ze creatief zijn, in hoeverre ze hun impulsen de baas zijn, en of ze uit de voeten kunnen met de verschillende codes die gelden in de wereld van alledag.
Als je ontwikkelingsgericht onderwijs nastreeft, waarin al deze aspecten van de ontwikkeling van kinderen een rol spelen, en je gebruikt tegelijkertijd een checklist waarin deze brede bedoelingen niet opgenomen zijn, dan wekt dat de indruk dat ze van secundair belang worden geacht.
Tegelijkertijd lenen deze doelen zich niet goed voor een afvinklijst. Je kunt nieuwsgierigheid of reflectievermogen niet uitdrukken in een score. Om over dergelijke eigenschappen iets te kunnen zeggen, heb je ruimte nodig om observaties uit te schrijven. Dat kan in het logboek van Horeb. Op een afvinklijst is daar geen ruimte voor.
Het verlangen naar een checklist is een symptoom van het rekenende denken dat van meetbare resulten en controle houdt, en dat staat op gespannen voet met de werkelijke aandacht voor de ontwikkeling van kinderen en de reflexieve houding die leerkrachten in ontwikkelingsgericht onderwijs kenmerkt.
Labels:
afvinkcultuur,
HOREB,
nieuwsgierigheid,
ogo,
onderwijs,
reflectie
dinsdag 19 april 2011
Onderwijs vormt
In het advies getiteld "Onderwijs vormt" (maart 2011) houdt de Onderwijsraad een pleidooi voor tegenwicht tegen het eenzijdige nuttigheidsdenken dat de afgelopen decennia het onderwijsbeleid doortrokken heeft en nu nog doortrekt. Ze pleit in zekere zin voor een revival van het Bildungsideaal. Het onderwijs zou naast praktische kennis van onmiddellijk economisch nut ook moeten voorzien in een brede vorming.
Moeten kinderen worden gevormd? En zo ja, waartoe? Het gaat er niet om ze te vertellen wát ze moeten vinden, het gaat erom ze te leren denken en met elkaar een gesprek te voeren. Het gaat erom ze op te voeden tot bewustzijn, tot aandacht voor de dingen, aandacht voor de keuzes die ze maken en voor de perspectieven van anderen, onafhankelijkheid van geest.
Ik zou het geen vorming willen noemen. Vorming, dat klinkt alsof een leraar zijn pupillen in iedere gewenste vorm zou kunnen kneden, ongeacht de vorm van die leraar zelf. Het is niet vormen, het is vóórleven.
Wat van mij veel meer nadruk mag krijgen dan 't in het advies krijgt, is het enorme belang dat moet worden gehecht aan bewuste, wakkere, ontwikkelde, weldenkende, goed opgeleide leraren die altijd bereid zullen zijn tot zelfonderzoek en reflectie.
Volgens het advies zouden leerlingen "richtinggevende noties" aangereikt moeten krijgen waarmee ze "in dialoog kunnen gaan" en waartoe ze leren "zich te verhouden". Het gaat erom dat ze "een bepaalde betrokkenheid bij waarden, doelen en idealen" ontwikkelen (p.11).
Dat leer je van mensen die dat vóórleven: van leraren die betrokkenheid tonen bij en zich bewust verhouden tot hun vak. "Leraren die zelf over een brede kennisbasis en culturele bagage beschikken, [...] mensen die laten zien hoe afstand nemen van directe behoeften en je inzetten voor iets groters je kan verrijken." (p.13)
Hoe moet dat als leraren geen tijd nemen om te reflecteren op hun vak, zich laten opslokken door ad hoc problemen en geen afstand nemen om te zien welke rol ze spelen in een groter geheel, te weten: de voedingsbodem van onze beschaving: het onderwijs aan jonge kinderen?
Want die stevige algemene kennisbasis en culturele bagage en die bereidheid tot zelfonderzoek en reflectie is juist ook van het grootste belang voor het primair onderwijs. Ik zou - in navolging van Noorda en Derkse (p.28) - willen pleiten voor oefening in pedagogische verantwoordelijkheidszin en reflectie op de plaats en de rol van leraren, juist ook in het primair onderwijs - waar de basis wordt gelegd. "
Ik citeer met instemming: "Voor leerkrachten in het basisonderwijs zou er een ondersteuningsaanbod moeten zijn dat hen in staat stelt [...] te werken aan verdieping en verbreding van hun vakkennis, onder meer door het ontwikkelen van een kritische, onderzoekende houding ten aanzien van de onderwijspraktijk. [...] Leraren zouden tijd vrij moeten maken voor cultivering van de eigen geestelijke vitaliteit." (p.29)
Overigens is daarvoor niet alleen ondersteuningsaanbod nodig, maar eerst en vooral ook een mentaliteitsverandering bij de leraren zelf - in elk geval in het primair onderwijs.
Moeten kinderen worden gevormd? En zo ja, waartoe? Het gaat er niet om ze te vertellen wát ze moeten vinden, het gaat erom ze te leren denken en met elkaar een gesprek te voeren. Het gaat erom ze op te voeden tot bewustzijn, tot aandacht voor de dingen, aandacht voor de keuzes die ze maken en voor de perspectieven van anderen, onafhankelijkheid van geest.
Ik zou het geen vorming willen noemen. Vorming, dat klinkt alsof een leraar zijn pupillen in iedere gewenste vorm zou kunnen kneden, ongeacht de vorm van die leraar zelf. Het is niet vormen, het is vóórleven.
Wat van mij veel meer nadruk mag krijgen dan 't in het advies krijgt, is het enorme belang dat moet worden gehecht aan bewuste, wakkere, ontwikkelde, weldenkende, goed opgeleide leraren die altijd bereid zullen zijn tot zelfonderzoek en reflectie.
Volgens het advies zouden leerlingen "richtinggevende noties" aangereikt moeten krijgen waarmee ze "in dialoog kunnen gaan" en waartoe ze leren "zich te verhouden". Het gaat erom dat ze "een bepaalde betrokkenheid bij waarden, doelen en idealen" ontwikkelen (p.11).
Dat leer je van mensen die dat vóórleven: van leraren die betrokkenheid tonen bij en zich bewust verhouden tot hun vak. "Leraren die zelf over een brede kennisbasis en culturele bagage beschikken, [...] mensen die laten zien hoe afstand nemen van directe behoeften en je inzetten voor iets groters je kan verrijken." (p.13)
Hoe moet dat als leraren geen tijd nemen om te reflecteren op hun vak, zich laten opslokken door ad hoc problemen en geen afstand nemen om te zien welke rol ze spelen in een groter geheel, te weten: de voedingsbodem van onze beschaving: het onderwijs aan jonge kinderen?
Want die stevige algemene kennisbasis en culturele bagage en die bereidheid tot zelfonderzoek en reflectie is juist ook van het grootste belang voor het primair onderwijs. Ik zou - in navolging van Noorda en Derkse (p.28) - willen pleiten voor oefening in pedagogische verantwoordelijkheidszin en reflectie op de plaats en de rol van leraren, juist ook in het primair onderwijs - waar de basis wordt gelegd. "
Ik citeer met instemming: "Voor leerkrachten in het basisonderwijs zou er een ondersteuningsaanbod moeten zijn dat hen in staat stelt [...] te werken aan verdieping en verbreding van hun vakkennis, onder meer door het ontwikkelen van een kritische, onderzoekende houding ten aanzien van de onderwijspraktijk. [...] Leraren zouden tijd vrij moeten maken voor cultivering van de eigen geestelijke vitaliteit." (p.29)
Overigens is daarvoor niet alleen ondersteuningsaanbod nodig, maar eerst en vooral ook een mentaliteitsverandering bij de leraren zelf - in elk geval in het primair onderwijs.
donderdag 14 april 2011
Ken uzelve
Dat lukt alleen als je onderzoekt wie je dan wel wezen mag. Hoe je jezelf ziet als leraar, en waarom je de dingen doet zoals je ze doet. Op grond van welke ervaringen je keuzes maakt om dit wel, dat niet te doen. Welke waarden voor jou essentieel zijn in de uitvoering van je vak.
Dat zelfverstaan is een proces dat voortdurend in beweging is. Het is niet zo dat je op een dag bij jezelf naar binnenkijkt en daar kennis aantreft omtrent jezelf als professional - kennis die je dan voortaan in bezit hebt. Het is iets dat je ontwikkelt door met jezelf en anderen in gesprek te gaan, keer op keer.
De professionele know how van een leraar is nooit louter technische kennis op basis waarvan je kunt zeggen: dit maakt hem tot een goede leraar. Het handelen van een leraar is altijd ook gebaseerd op morele keuzes: doe ik met mijn handelen recht aan de leerlingen die aan mijn zorg zijn toevertrouwd? Op die vraag is geen definitief en altijd geldig antwoord te geven.
Kelchtermans schrijft hierover in Leraar wie ben je?: "In die zin wordt leraarschap gekenmerkt door kwetsbaarheid: er is geen onbetwistbare verantwoordingsgrond. Daarenboven is onderwijs niet alleen iets wat men 'doet' [...] maar in belangrijke mate iets dat 'gebeurt' [...]. Alle inspanningen, inschattingen en interventies ten spijt heeft de leraar niet in de hand of de lerende leert, wat hij leert enz. Ook deze dimensie van passiviteit, van gebeuren is onontkoombaar en draagt bij tot de kwetsbaarheid van het leraarschap."
Overigens is deze kwetsbaarheid niet zozeer iets wat je moet uithouden, maar eerder iets wat je zou moeten koesteren. In de competentiematrix voor leraren die de SBL heeft ontwikkeld is helaas voor deze dimensie van kwetsbaarheid geen oog, en dat is niet slechts een omissie. Het is niet slechts iets dat niet genoemd wordt. Het niet noemen is een regelrechte ontkenning van de waarde van kwetsbaarheid.
Abonneren op:
Posts (Atom)
