Wintergasten. Raoul Heertje interviewt Antanas Mockus, voormalig burgemeester van Bogotá, Colombia. Een zin uit dat gesprek die me steeds door het hoofd blijft spoken: "My principles do not allow me."
Eens bedreigde een kidnapper Mockus met een vuurwapen om hem te dwingen met hem mee te gaan. In die levensbedreigende situatie zou Mockus gezegd hebben: "Mijn principes staan mij niet toe, gehoor te geven aan de wensen van iemand die mij met een wapen bedreigt."
Misschien is het een sterk verhaal - hoe dan ook, het beeld schudt me wakker, met een schok.
Wat belet mij, om met een beroep op de grenzen die mijn principes mij stellen, te weigeren me te onderwerpen aan een gang van zaken die naar mijn overtuiging niet deugt?
Hoe vaak onderwerp ik mij niet aan "bullshit" (zie vorige bijdrage), enkel omdat degenen die mij daarom vragen - zonder mij zelfs maar onder schot te houden - er geen blijk van geven enig benul te hebben van het feit dat mijn integriteit in het geding is?
Ik herinner me dat ik, in het kader van mijn werk, eens bezwaar maakte tegen de verplichting aanwezig te zijn bij een bijeenkomst waarvan ik de zin niet inzag. Ik gaf daarbij aan dat ik mij door die verplichting in mijn integriteit aangetast voelde. Het woord "integriteit" had een welhaast Brechtiaans Verfremdungseffekt. Zowel mijn gesprekspartner als ikzelf waren er beduusd van. Het onbegrip aan de andere kant leek zo totaal, dat ik het niet aandurfde ter plekke te onderzoeken waarom ik nu net dát woord had gebruikt.
Nu weet ik wat ik had willen zeggen: "Mijn principes staan mij niet toe, tijd en energie te steken in onzinnige activiteiten."
Wat bedoelde ik met het woord integriteit? Iemands diepste waarden, de onaantastbare standaarden die verbonden zijn met iemands levensbeschouwing, waarvoor geen andere houding dan respect op zijn plaats is. Of een ander jouw principes nu begrijpt of niet, hij heeft het morele recht niet daaraan te tornen.
Plotseling komt het me absurd voor, dat je je principes zou verloochenen, enkel en alleen omdat die in het vocabulaire van de ander, die van jou iets verlangt dat tegen je principes indruist, niet vóórkomen. Toegeven, alleen omdat de ander je verzet niet begrijpt.
Posts tonen met het label intellectueel geweten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label intellectueel geweten. Alle posts tonen
woensdag 5 januari 2011
dinsdag 4 januari 2011
On bullshit
Toen ik er voor koos om juf te worden, had ik een bepaalde voorstelling van wat dat vak inhield. Ik stelde me voor dat ik zou werken in een gebouw waar het rook naar vers geslepen potloden, waar juffen en meesters in lokalen met grote ramen aan het werk zouden zijn met groepen kinderen om ze wegwijs te maken in de wereld. Ergens boven in een kamertje zat de directeur, die zorgde voor alle dingen die de juffen en meesters nodig hadden om hun werk goed te doen, en die ze niet zelf konden regelen omdat zij bij de kinderen waren.
Ik dacht niet aan overheidsbemoeienis en inspectie, ik had geen idee van bestuursbureaus, samenwerkingsverbanden, onderwijsadviesbureaus, onderwijsraden en welke organen meer. Ik had geen idee van werktijdfactorformulier, managementstructuur, popgesprek, bekwaamheidsdossier of functiemix. Ik dacht niet aan adaptief, passend, ontwikkelingsgericht, kindgericht, ervaringsgericht, vraaggericht, duurzaam, ecologisch, innovatief, leerstofgericht of opbrengstgericht.
Ondertussen gaat er geen dag voorbij zonder dat er een appel op me wordt gedaan om me te verhouden tot al deze instanties, paperassen en richtingen. Ik zou dat appel wel kunnen negeren, gewoon braaf mijn werk in de klas doen en me verder niet verdiepen in de onderliggende structuren die ten grondslag liggen aan de onderwijspraktijk, maar -
Of nee, dat kan ik dus niet. Ik wil weten hoe het werkt en of het goed is zoals het werkt. Mijn intellectuele geweten verlangt dat van me. Ik voel dat het niet goed is zoals het werkt, en ik wil de feiten onderzoeken om dat gevoel te onderbouwen met argumenten. Maar zodra ik mijn lokaal uitloop en de onderwijswereld inga, kom ik in een moeras terecht dat reikt totaan de horizon. Een stroperige prut waarin geen simpel feit meer lijkt terug te vinden.
De Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt schreef een boekje getiteld On bullshit, en nu ik het gelezen heb, weet ik waaruit dat moeras bestaat.
Bullshit is gepraat dat losstaat van enige bekommernis om waarachtigheid of een waarachtige weergave van de werkelijkheid. Bullshit is niet zonder meer onwaarheid. Het kan best zijn dat een bullshitter ware dingen zegt, maar dat is zijn zorg niet, het is niet de reden waarom hij zegt wat hij zegt. Hij zegt wat hij zegt, niet om te zeggen hoe volgens hem de dingen werkelijk zijn, maar om een bepaald doel te bereiken. En het is niet zo dat hij zijn publiek voor de gek houdt over hoe de dingen zijn - het interesseert hem niet hoe de dingen zijn - maar hij houdt het voor de gek over wat zijn eigenlijke doel is. Wat de bullshitter verbergt, is dat de waarheidswaarde van zijn uitspraken hem hoegenaamd niet interesseert. Wat zijn uitspraken leidt, is slechts het doel dat hij wil bereiken, en om dat te bereiken is het van belang dat zijn publiek dat niet doorziet.
Het onderwijsmoeras dat zich uitstrekt buiten het klaslokaal, bestaat voor een heel groot deel uit bullshit. Een moeras van vage taal, glossy blaadjes en websites, kretologie, beleidsnotities, blabla van allerlei aard, geproduceerd door een leger van mensen voor wie een oprecht streven naar waarachtigheid niet het leidend principe is.
Waarom komen de juffen en meesters hiertegen niet in het geweer? Zijn ze blind of zijn ze murw? Het lijkt erop dat de gewoonte van mensen om aandacht te besteden aan de vraag hoe het nu eigenlijk zit, verkwijnt.
Frankfurt wijst erop dat de uitventer van bullshit riskeert iedere vorm van waarheidszin te verliezen, totdat het niet langer een gekozen middel is om een doel te bereiken, maar een manier van in de wereld staan die hij niet meer naar believen kan aan- of uitzetten.
Wat Frankfurt niet noemt, maar mijns inziens een minstens zo groot probleem is, is dat naast de bullshitter ook de bullshittee, ten gevolge van de niet aflatende blootstelling aan bullshit, mettertijd corrumpeert en zijn waarheidszin verliest.
Ik dacht niet aan overheidsbemoeienis en inspectie, ik had geen idee van bestuursbureaus, samenwerkingsverbanden, onderwijsadviesbureaus, onderwijsraden en welke organen meer. Ik had geen idee van werktijdfactorformulier, managementstructuur, popgesprek, bekwaamheidsdossier of functiemix. Ik dacht niet aan adaptief, passend, ontwikkelingsgericht, kindgericht, ervaringsgericht, vraaggericht, duurzaam, ecologisch, innovatief, leerstofgericht of opbrengstgericht.
Ondertussen gaat er geen dag voorbij zonder dat er een appel op me wordt gedaan om me te verhouden tot al deze instanties, paperassen en richtingen. Ik zou dat appel wel kunnen negeren, gewoon braaf mijn werk in de klas doen en me verder niet verdiepen in de onderliggende structuren die ten grondslag liggen aan de onderwijspraktijk, maar -
Of nee, dat kan ik dus niet. Ik wil weten hoe het werkt en of het goed is zoals het werkt. Mijn intellectuele geweten verlangt dat van me. Ik voel dat het niet goed is zoals het werkt, en ik wil de feiten onderzoeken om dat gevoel te onderbouwen met argumenten. Maar zodra ik mijn lokaal uitloop en de onderwijswereld inga, kom ik in een moeras terecht dat reikt totaan de horizon. Een stroperige prut waarin geen simpel feit meer lijkt terug te vinden.
De Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt schreef een boekje getiteld On bullshit, en nu ik het gelezen heb, weet ik waaruit dat moeras bestaat.
Bullshit is gepraat dat losstaat van enige bekommernis om waarachtigheid of een waarachtige weergave van de werkelijkheid. Bullshit is niet zonder meer onwaarheid. Het kan best zijn dat een bullshitter ware dingen zegt, maar dat is zijn zorg niet, het is niet de reden waarom hij zegt wat hij zegt. Hij zegt wat hij zegt, niet om te zeggen hoe volgens hem de dingen werkelijk zijn, maar om een bepaald doel te bereiken. En het is niet zo dat hij zijn publiek voor de gek houdt over hoe de dingen zijn - het interesseert hem niet hoe de dingen zijn - maar hij houdt het voor de gek over wat zijn eigenlijke doel is. Wat de bullshitter verbergt, is dat de waarheidswaarde van zijn uitspraken hem hoegenaamd niet interesseert. Wat zijn uitspraken leidt, is slechts het doel dat hij wil bereiken, en om dat te bereiken is het van belang dat zijn publiek dat niet doorziet.
Het onderwijsmoeras dat zich uitstrekt buiten het klaslokaal, bestaat voor een heel groot deel uit bullshit. Een moeras van vage taal, glossy blaadjes en websites, kretologie, beleidsnotities, blabla van allerlei aard, geproduceerd door een leger van mensen voor wie een oprecht streven naar waarachtigheid niet het leidend principe is.
Waarom komen de juffen en meesters hiertegen niet in het geweer? Zijn ze blind of zijn ze murw? Het lijkt erop dat de gewoonte van mensen om aandacht te besteden aan de vraag hoe het nu eigenlijk zit, verkwijnt.
Frankfurt wijst erop dat de uitventer van bullshit riskeert iedere vorm van waarheidszin te verliezen, totdat het niet langer een gekozen middel is om een doel te bereiken, maar een manier van in de wereld staan die hij niet meer naar believen kan aan- of uitzetten.
Wat Frankfurt niet noemt, maar mijns inziens een minstens zo groot probleem is, is dat naast de bullshitter ook de bullshittee, ten gevolge van de niet aflatende blootstelling aan bullshit, mettertijd corrumpeert en zijn waarheidszin verliest.
donderdag 28 januari 2010
Een luis in loondienst
Op de een of andere manier lijkt het iets beschamends te hebben om van jezelf te zeggen dat je er een bent. En toch, naarmate ik verder afdwaal van de een of andere intellectuele gemeenschap, en naarmate het anti-intellectualisme zich wijder en wijder verbreidt, vind ik geen term die zo kernachtig omschrijft waarin ik me meen te onderscheiden van de mensen met wie ik werk en mijn directe leefomgeving deel. Wat wringt is dit: ik ben een intellectueel.
Furedi omschrijft heel precies wat een intellectueel volgens hem is:
Het past precies.
Ik zou het allerliefst op een school met de kinderen willen werken als onderwijzeres, maar op zo’n manier, dat ik dat overeenkomstig mijn gedachtegang en in overeenstemming met mijn intellectuele en beschouwelijke aard kan doen. Ik zou daarin onafhankelijk en autonoom willen kunnen handelen. Ik begrijp wel dat ik - om te kunnen lesgeven - medewerker moet zijn van een basisschool met alle regels en beperkingen van dien, maar ik behoud mij het recht voor daartoe minstens een mentale distantie te bewaren. Het liefst zou ik willen dat ik een plek kon vinden waar ik aan mijn intellectuele geweten zou kunnen beantwoorden en mijn kanttekeningen bij de gangbare opvattingen en conventies in het onderwijs uitspreken, zonder mijn broodwinning op het spel te hoeven zetten. Een plek waar de practici en pragmatici een ander geluid zouden verwelkomen, in het besef dat werkelijk levenskrachtige ideeën niet binnen de dictaten van een institutie kunnen worden ontwikkeld. Een plek waar een krachtig betoog niet wordt gezien als een vorm van geestelijke intimidatie. Een plek waar vraagtekens plaatsen bij de geldigheid van een idee niet wordt gezien als een vorm van ongemanierdheid. Ik wil een luis in de pels zijn, een horzel die het logge paard wakker houdt.
Paradox is vooralsnog, dat ik een luis in loondienst lijk te willen zijn. Een horzel met permissie.
Furedi omschrijft heel precies wat een intellectueel volgens hem is:
- Een intellectueel wil, aldus Furedi, overeenkomstig de eigen overtuiging en gedachtegang, onafhankelijk en autonoom kunnen leven en handelen.
- Een intellectueel wil minstens een mentale distantie bewaren van de regels en beperkingen die door de heersende instituties aan het alledaagse bestaan worden opgelegd, want hij staat daarmee vaak op gespannen voet.
- Die spanning komt voort uit het besef dat ideeën niet overeenkomstig een schema of de dictaten van een bepaalde institutie kunnen worden ontwikkeld.
- Het geweten van een intellectueel dwingt hem ertoe, de gangbare, pragmatisch geconstrueerde opvattingen en conventies van zijn tijd voortdurend te bevragen op hun geldigheid.
- Het blikveld van de intellectueel is wijder dan dat van de practicus en de pragmaticus.
- Een intellectueel wil invloed uitoefenen op de wereld, de status quo bekritiseren, optreden als geweten van de samenleving.
Het past precies.
Ik zou het allerliefst op een school met de kinderen willen werken als onderwijzeres, maar op zo’n manier, dat ik dat overeenkomstig mijn gedachtegang en in overeenstemming met mijn intellectuele en beschouwelijke aard kan doen. Ik zou daarin onafhankelijk en autonoom willen kunnen handelen. Ik begrijp wel dat ik - om te kunnen lesgeven - medewerker moet zijn van een basisschool met alle regels en beperkingen van dien, maar ik behoud mij het recht voor daartoe minstens een mentale distantie te bewaren. Het liefst zou ik willen dat ik een plek kon vinden waar ik aan mijn intellectuele geweten zou kunnen beantwoorden en mijn kanttekeningen bij de gangbare opvattingen en conventies in het onderwijs uitspreken, zonder mijn broodwinning op het spel te hoeven zetten. Een plek waar de practici en pragmatici een ander geluid zouden verwelkomen, in het besef dat werkelijk levenskrachtige ideeën niet binnen de dictaten van een institutie kunnen worden ontwikkeld. Een plek waar een krachtig betoog niet wordt gezien als een vorm van geestelijke intimidatie. Een plek waar vraagtekens plaatsen bij de geldigheid van een idee niet wordt gezien als een vorm van ongemanierdheid. Ik wil een luis in de pels zijn, een horzel die het logge paard wakker houdt.
Paradox is vooralsnog, dat ik een luis in loondienst lijk te willen zijn. Een horzel met permissie.
Abonneren op:
Posts (Atom)
