Posts tonen met het label filosoferen met kinderen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label filosoferen met kinderen. Alle posts tonen

zondag 17 april 2011

Vloedlijn en horizon

"Mama, wat is 'voetlijm'?"
"Voetlijm?"
"Nee, het was... het was.... vloetlijm."
"Was het vloedlijn?"
"Ja, vloedlijn!"
"Mooi woord. Waar kwam je dat tegen?"
"Op school is een boekje dat heet Wedstrijd aan de vloedlijn."

"Okee. Weet je nog dat we laatst op Texel bij de zee waren? Weet je nog, er waren hele grote golven en we gingen helemaal bij het randje van de zee kijken. Het water rolde steeds over het zand en dan moest je steeds oppassen dat je geen natte voeten kreeg. Weet je nog wel?"
"Ja, dat weet ik nog."
"Nou, de vloedlijn dat is zeg maar het streepje tussen het water van de zee en het zand van het strand."
"Okee. dus het is net zoiets als de horizon? Want dat is het streepje tussen de lucht en het water, toch?"
"Precies. En het heet vloedlijn, want als het water zo op het strand spoelt, dat heet 'vloed'. 'Vloed-lijn'."

"En wat is nou voetlijm?"

dinsdag 21 september 2010

Elkaar uit laten praten

We praten in de klas over de vraag waarom je naar school moet. De kinderen komen met allerlei redenen. Omdat je daar dingen leert waardoor je later goed voor jezelf kan zorgen. Omdat je dan leuk werk kan kiezen en geld verdienen en een huis kopen. Omdat de mensen je anders later dom vinden. Later in het gesprek zullen we ook nog redenen bedenken waarom het voor kinderen beter zou zijn als school helemaal niet bestond.

Terwijl Uma nogal breedvoerig uiteenzet waarom zij denkt dat je naar school moet, ontstaat er geroezemoes. Ik laat tijdelijk de lijn van het gesprek los, en zoom in op wat hier en nu gebeurt, in het gesprek. "Jesse, waarom praat je door Uma heen?" Jesse: "Ja maar Erik zei wat tegen mij." "Dat is geen antwoord op de vraag. Ik vraag jou waarom jij door Uma heen praat." "Omdat Erik wat tegen me zei." "Dus Erik praatte ook door Uma heen? Erik, waarom praatte jij door Uma heen?" Erik: "Omdat Merouchee zei dat mensen je geld kunnen stelen als je niet kan rekenen, en toen zei ik, wat heeft dat er nou mee te maken."  

"Oké, nou komen we ergens. Goed dat we het hier over hebben. Jullie praten dus ook over de dingen waar we met z'n allen over aan het praten zijn. Maar wij horen niet wat jullie zeggen, en jullie horen Uma niet, en ook voor ons wordt het moeilijk om naar haar te luisteren, omdat jullie er zachtjes doorheen praten. Probeer eens wat er in je opkomt niet meteen uit te spreken, maar eerst Uma uit te laten praten en naar haar te luisteren. Daarna kan Merouchee zeggen waaraan zij denkt. En als Erik dat niet begrijpt, dan kan hij haar een vraag stellen om beter te begrijpen wat zij bedoelt. Als Jesse er dan nog iets op wil zeggen, dan kan hij daar daarna aandacht voor vragen. Zo kunnen we echt samen praten en samen bedenken wat we er van vinden, van dat naar school gaan. Probeer elkaar uit te laten praten. Laat mensen hun zinnen af maken."

"Grote mensen doen dat ook hoor, alvast maar beginnen met praten als ze al denken te weten wat je gaat zeggen, ook al ben je nog niet klaar. Die moeten dat ook nog leren." (Instemmend gegniffel.) "Maar wij gaan het nu alvast oefenen. Als je echt naar elkaar luistert dan ga je veel langzamer. Je vinger opsteken, dat doe je niet alleen omdat het beleefd is, maar ook om te oefenen met uit te stellen wat je wil zeggen. De tijd nemen om je af te vragen, wat wil ik nu eigenlijk zeggen? Moet ik het echt zeggen of hoeft het eigenlijk helemaal niet? Haast je niet. Neem de tijd. Vraag je af waarom je doet wat je doet en of je dat ook echt wil."

Als ik vraag, waarom praat je door Uma heen, dan merk ik verkramping bij Jesse. Hij vat de vraag niet op als oprechte belangstelling maar eerder als een sarcastische sneer, bedoeld om hem in verlegenheid te brengen of zelfs te intimideren.

Als we dit vaker gaan doen - zo praten met elkaar - dan hoop ik dat langzamerhand zal gaan doordringen dat ik op een dergelijk moment wel degelijk een echte vraag stel. Dat ik niet oordeel, maar uitnodig tot zelfonderzoek: "Waarom doe ik wat ik doe? Ik wil niet door een ander heen praten, en toch doe ik het. Hoe komt dat?"

Misschien is het antwoord op die vraag, dat je heel graag òòk een bijdrage wil leveren aan de gedachtewisseling, en dat je ongeduldig bent. Probeer dan eens die gedachte die jij hebt, te bewaren totdat je de gelegenheid krijgt om ´m met de hele groep te delen en niet alleen met je buurvrouw of buurman. Probeer eens te bewaren wat je zelf wil zeggen en tegelijkertijd te luisteren naar die ander die aan het woord is. Misschien praat je ook door de ander heen omdat ze je verveelt. Bedenk dan eens wat je daaraan zou kunnen doen, in plaats van afhaken en je eigen onderonsje beginnen. Zou je Uma bijvoorbeeld kunnen vragen om het wat korter te zeggen?

donderdag 20 mei 2010

Een gesprek voeren

Oscar Brenifier voert een gesprek met een groep zeven- of achtjarigen op een Australische basisschool (Elementary School Workshop).

Bij de eerste indruk denk ik: wat een raar gesprek, wat gaat hij op een onaangename manier met die kinderen om. Maar al heel gauw begint het tot me door te dringen dat het eigenlijk heel raar en ook onaangenaam is dat de dingen die Brenifier hier benoemt in de meeste gesprekken passeren zonder dat iemand er iets van zegt.

Aan een kind dat met dringende intensiteit een vinger opsteekt voordat een ander is uitgepraat, vraagt Brenifier: 'Heb je haast?'
Het kind: 'Nee.'
Brenifier: 'Weet je waarom ik je vraag of je haast hebt?'
Kind: 'Nee.'
Brenifier vraagt het kind hoe het heet, en vervolgens aan de groep: 'Is er iemand die weet waarom ik Toby vraag of hij haast heeft?'
Handen gaan de lucht in, en Brenifier nodigt Toby uit aan iemand die zijn hand heeft opgestoken te vragen, 'Kun je me uitleggen waarom Oscar mij vraagt of ik haast heb?'
Toby kiest een kind en stelt de vraag. Dat kind zegt: 'Omdat je je vinger opstak terwijl er nog iemand aan het praten was.'
Brenifier aan Toby: 'Kun je herhalen wat ze gezegd heeft?'
Toby herhaalt wat zijn klasgenote gezegd heeft.
'Heeft ze gelijk?'
Toby: 'Ja'.
Brenifier: 'Heeft ze dat goed gezien?'
Toby zegt iets onverstaanbaars.
Brenifier: 'Kon jij mijn vraag verklaren?'
Toby: 'Nee.'
Brenifier: 'Kon zij mijn vraag verklaren?'
Toby: 'Ja.'
Brenifier: 'Dus, heeft ze dat goed gezien of niet?'
Toby: 'Ja.'
Brenifier: 'Zeg het maar tegen haar: dat heb je goed gezien.'
Toby: 'Dat heb je goed gezien'.
Brenifier: 'Mooi, dan kunnen we nu verder.'

Er wordt op een uiterst zorgvuldige manier geluisterd. Brenifier daagt de kinderen uit zich zorgvuldig uit te drukken, zorgvuldig te luisteren naar wat de anderen zeggen, en elkaars hulp in te roepen als ze er niet goed in slagen uit te drukken wat ze willen zeggen.

De inhoud van het gesprek ontvouwt zich ongelofelijk langzaam en het duurt heel erg lang voordat ik denk te weten waar het nu eigenlijk over gaat. Pas na afloop begint tot me door te dringen dat waar het hier over ging het gesprek zelf is. Hoe praat je met elkaar.

Niet dat kinderen hier wordt geleerd hoe volwassenen met elkaar praten, alsof dat voorbeeldig zou zijn - zeker niet. Wat hier geleerd wordt is: hoe praat je met elkaar op zo'n manier dat je samen gedachten kunt onderzoeken. Op zo'n manier dat je samen wijzer wordt.

donderdag 8 april 2010

Vanzelfsprekendheden

Er is voor jonge kinderen nog maar heel weinig dat vanzelf spreekt. Het spreekt niet vanzelf dat de kraan met de rode stip warm is en de blauwe koud. Het spreekt niet vanzelf dat je, als je de knop naar rechts draait de kraan dicht draait en andersom open. Ook spreekt het niet vanzelf welke kant je op moet draaien om een tube tandpasta open te krijgen. Het spreekt niet vanzelf dat wat voor deze kraan en deze tube tandpasta geldt, voor alle kranen en alle tubes geldt. Het spreekt niet vanzelf dat na de winter de lente komt en dat daarin niets kan veranderen. Het spreekt niet vanzelf dat grote mensen geen invloed hebben op het weer. Het spreekt niet vanzelf dat de tafelpoten die je niet ziet er toch zijn. Het spreekt niet vanzelf dat een dier aan de andere kant van zijn kop nog een oog heeft. Het spreekt niet vanzelf dat televisiekijken van een andere orde is dan met de lego spelen. Het spreekt niet vanzelf dat een druif gezonder is dan een toverbal. Het spreekt niet vanzelf dat er geen rechtevenredig verband is tussen leeftijd en lichaamslengte.

Pas als je dingen vanzelfsprekend begint te vinden, wordt het tijd om filosofie te bedrijven.

donderdag 11 maart 2010

Eerst de antwoorden, dan de vragen

Cornelis Verhoeven schrijft in Weerloos denken: “De filosofie geeft geen antwoorden op bestaande vragen, maar plaatst vraagtekens bij bestaande antwoorden en vanzelfsprekendheden. Zij verhoogt niet de kennis, maar eerder de onwetendheid.”

Hoe verhoudt zich mijn filosofische streven tot mijn streven naar kennisoverdracht? Om vraagtekens te kunnen plaatsen bij bestaande antwoorden en vanzelfsprekendheden moet je eerst die antwoorden en vanzelfsprekendheden leren kennen. Je kunt niet beginnen met vraagtekens plaatsen.

Als ik naar kennisoverdracht streef dan is wat ik wil overdragen niet “de waarheid” maar de verhalen die de mensen over de dingen vertellen, de betekenissen die ze aan de dingen hebben gehecht, de antwoorden die ze hebben geformuleerd op hun vragen.

Het schrift, de taal, de wiskunde, de techniek, het geografische, biologische, natuurkundige en scheikundige vertoog - je zou kunnen zeggen dat het allemaal antwoorden zijn op vragen die de mensheid hebben beziggehouden. Antwoorden die vaak vanzelfsprekendheden zijn geworden.

Ik denk dat het de opdracht van het onderwijs is, kinderen kennis te laten maken met de bestaande antwoorden. Het doel is dan, dat aan het eind van hun onderwijsloopbaan een basis is gelegd, op grond waarvan nieuwe deelnemers aan het menselijk discours kunnen beginnen met vraagtekens plaatsen.

Daarin is mijn aarzeling gelegen ten aanzien van schoolprojecten gericht op discussiëren en filosoferen met kinderen. Kinderen stellen vragen die ons volwassenen filosofisch voorkomen. Maar de vragen van kinderen hebben volgens mij een ander doel dan de vragen van filosofen.