Oscar Brenifier voert een gesprek met een groep zeven- of achtjarigen op een Australische basisschool (Elementary School Workshop).
Bij de eerste indruk denk ik: wat een raar gesprek, wat gaat hij op een onaangename manier met die kinderen om. Maar al heel gauw begint het tot me door te dringen dat het eigenlijk heel raar en ook onaangenaam is dat de dingen die Brenifier hier benoemt in de meeste gesprekken passeren zonder dat iemand er iets van zegt.
Aan een kind dat met dringende intensiteit een vinger opsteekt voordat een ander is uitgepraat, vraagt Brenifier: 'Heb je haast?'
Het kind: 'Nee.'
Brenifier: 'Weet je waarom ik je vraag of je haast hebt?'
Kind: 'Nee.'
Brenifier vraagt het kind hoe het heet, en vervolgens aan de groep: 'Is er iemand die weet waarom ik Toby vraag of hij haast heeft?'
Handen gaan de lucht in, en Brenifier nodigt Toby uit aan iemand die zijn hand heeft opgestoken te vragen, 'Kun je me uitleggen waarom Oscar mij vraagt of ik haast heb?'
Toby kiest een kind en stelt de vraag. Dat kind zegt: 'Omdat je je vinger opstak terwijl er nog iemand aan het praten was.'
Brenifier aan Toby: 'Kun je herhalen wat ze gezegd heeft?'
Toby herhaalt wat zijn klasgenote gezegd heeft.
'Heeft ze gelijk?'
Toby: 'Ja'.
Brenifier: 'Heeft ze dat goed gezien?'
Toby zegt iets onverstaanbaars.
Brenifier: 'Kon jij mijn vraag verklaren?'
Toby: 'Nee.'
Brenifier: 'Kon zij mijn vraag verklaren?'
Toby: 'Ja.'
Brenifier: 'Dus, heeft ze dat goed gezien of niet?'
Toby: 'Ja.'
Brenifier: 'Zeg het maar tegen haar: dat heb je goed gezien.'
Toby: 'Dat heb je goed gezien'.
Brenifier: 'Mooi, dan kunnen we nu verder.'
Er wordt op een uiterst zorgvuldige manier geluisterd. Brenifier daagt de kinderen uit zich zorgvuldig uit te drukken, zorgvuldig te luisteren naar wat de anderen zeggen, en elkaars hulp in te roepen als ze er niet goed in slagen uit te drukken wat ze willen zeggen.
De inhoud van het gesprek ontvouwt zich ongelofelijk langzaam en het duurt heel erg lang voordat ik denk te weten waar het nu eigenlijk over gaat. Pas na afloop begint tot me door te dringen dat waar het hier over ging het gesprek zelf is. Hoe praat je met elkaar.
Niet dat kinderen hier wordt geleerd hoe volwassenen met elkaar praten, alsof dat voorbeeldig zou zijn - zeker niet. Wat hier geleerd wordt is: hoe praat je met elkaar op zo'n manier dat je samen gedachten kunt onderzoeken. Op zo'n manier dat je samen wijzer wordt.
Posts tonen met het label kinderfilosofie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kinderfilosofie. Alle posts tonen
donderdag 20 mei 2010
woensdag 14 april 2010
Filosoferen met kinderen
Filosoferen is in zekere zin proberen te denken zoals een kind. Een kind dat nog niet vertrouwd is met de dingen en alles voor mogelijk houdt.
Filosofie is als een tekening van Lucebert, zoals hiernaast afgebeeld. Die doet denken aan een kindertekening, maar juist dat een volwassen man die schijnbare naïviteit tracht te benaderen is wat maakt dat het kunst is.
Daarom is de schitterendste koppoter van een kleuter nog geen kunst en daarom is de meest frapperende vraag van een kind nog geen filosofie. Of als die dingen kunst en filosofie zijn, dan zijn ze dat alleen voor de volwassene die ze als zodanig waarneemt, maar niet voor de kinderen zelf.
Het doet me denken aan de hilariteit die je soms veroorzaakte als kind, met een onbedoeld poëtische uitspraak. Het ergste was, als iemand dan midden in het gesprek van je wegliep om die uitspraak te noteren in een opschrijfboekje. Totaal negerend dat jij doende was met die ander te communiceren.
De wilde en de antropoloog.
Ik heb eens iemand gekend die geen kleuren kon zien. Ik ontmoette hem bij een schilderclubje. Hij gebruikte alleen zwarte en witte verf, maar er waren altijd mensen die wilden weten wat er uit zou komen als hij kleur zou gebruiken, en ze probeerden hem daartoe over te halen. Alsof hij een soort kermisattractie was en geen autonoom subject.
Als we gaan filosoferen met kinderen is dat dan omdat die kinderen daar iets aan hebben, of omdat het voor ons volwassenen zo heerlijk is om ons te laven aan hun verrukkelijke naïviteit?
Of is het, nog anders, omdat er dingen zijn waarin wij slechts in alle nederigheid de superioriteit van het kind kunnen aanvaarden? Als het om filosofische verwondering gaat dan zijn er immers geen betere leermeesters, al weten zij dat zelf niet, dan kinderen, die alles voor mogelijk houden. Want kinderen zijn mensen voor wie maar heel weinig vanzelf spreekt.
Filosoferen met kinderen is dan iets halen bij en niet iets brengen aan kinderen. Zolang dat helder is, kan het voor volwassenen een hele nuttige aangelegenheid zijn. En voor kinderen kan het op de duur gunstig zijn als volwassenen beginnen te onderkennen dat zij niet in alle opzichten aan kinderen superieur zijn.
Filosofie is als een tekening van Lucebert, zoals hiernaast afgebeeld. Die doet denken aan een kindertekening, maar juist dat een volwassen man die schijnbare naïviteit tracht te benaderen is wat maakt dat het kunst is.
Daarom is de schitterendste koppoter van een kleuter nog geen kunst en daarom is de meest frapperende vraag van een kind nog geen filosofie. Of als die dingen kunst en filosofie zijn, dan zijn ze dat alleen voor de volwassene die ze als zodanig waarneemt, maar niet voor de kinderen zelf.
Het doet me denken aan de hilariteit die je soms veroorzaakte als kind, met een onbedoeld poëtische uitspraak. Het ergste was, als iemand dan midden in het gesprek van je wegliep om die uitspraak te noteren in een opschrijfboekje. Totaal negerend dat jij doende was met die ander te communiceren.
De wilde en de antropoloog.
Ik heb eens iemand gekend die geen kleuren kon zien. Ik ontmoette hem bij een schilderclubje. Hij gebruikte alleen zwarte en witte verf, maar er waren altijd mensen die wilden weten wat er uit zou komen als hij kleur zou gebruiken, en ze probeerden hem daartoe over te halen. Alsof hij een soort kermisattractie was en geen autonoom subject.
Als we gaan filosoferen met kinderen is dat dan omdat die kinderen daar iets aan hebben, of omdat het voor ons volwassenen zo heerlijk is om ons te laven aan hun verrukkelijke naïviteit?
Of is het, nog anders, omdat er dingen zijn waarin wij slechts in alle nederigheid de superioriteit van het kind kunnen aanvaarden? Als het om filosofische verwondering gaat dan zijn er immers geen betere leermeesters, al weten zij dat zelf niet, dan kinderen, die alles voor mogelijk houden. Want kinderen zijn mensen voor wie maar heel weinig vanzelf spreekt.
Filosoferen met kinderen is dan iets halen bij en niet iets brengen aan kinderen. Zolang dat helder is, kan het voor volwassenen een hele nuttige aangelegenheid zijn. En voor kinderen kan het op de duur gunstig zijn als volwassenen beginnen te onderkennen dat zij niet in alle opzichten aan kinderen superieur zijn.
Abonneren op:
Posts (Atom)
