Posts tonen met het label makered. Alle posts tonen
Posts tonen met het label makered. Alle posts tonen

maandag 1 juni 2015

Groep 4B naar het atelier


Vrijdagmiddag. De kinderen uit groep 4B staan aan tafels die bezaaid zijn met allerlei materialen: karton, aluminiumfolie, closetrollen, plastic flessen, melkpakken, eierdozen, touw, papieren borden… De kinderen hebben die spullen zelf meegenomen van thuis. Ook zijn er kleine handzaagjes, handboortjes, een lijmpistool ,  gewone lijm, afplaktape… Daarvoor zorgt de juf. Sinds we vaker zo werken, zijn de kinderen steeds meer om zich heen gaan kijken naar spullen die ze kunnen gebruiken in het atelier. Ze mogen ze alleen op vrijdag meenemen, en wat we niet gebruiken gaat weer mee naar huis, anders groeien we dicht, op school.

Voordat we beginnen vraag ik de kinderen of ze iets bijzonders hebben meegebracht en of ze daar al ideeën bij hebben, wat ze ermee zouden willen maken. Dat doen we klassikaal. Kinderen die iets willen vertellen over wat ze mee hebben, krijgen zo aandacht van de hele groep voor hun verhaal.

Bij een vorige keer was er tussen twee kinderen een conflictje ontstaan over een bepaald stuk rommel dat ze allebei wilden gebruiken. In principe delen we alles, maar het bleek inmiddels toch belangrijk hier iets over te zeggen. Daarom bespreken we nu voordat we beginnen of er ook kinderen zijn die plannen hebben met bepaalde spullen die ze hebben meegebracht, en die om die reden niet voor andere kinderen beschikbaar zijn. Ik ga dat als juf niet allemaal precies controleren - we spreken alleen in algemene zin af dat als je iets wil gebruiken van een ander, of als iemand iets van jou wil gebruiken wat jij hebt meegebracht, dat je dan goed moet overleggen en elkaar aankijken om te zien of je het met elkaar eens kunt worden. Dat zijn de spelregels.

Dan kunnen we beginnen. Ik geef geen specifieke opdracht, en geen instructie. De kinderen gaan zonder enige terughoudendheid aan de slag. Het komt er nu op aan dat ik niets doe behalve kijken. Kijken of iedereen inderdaad aan de slag gaat, hoe ze uit hun ogen kijken, hoe ze dingen pakken en bekijken, hoe ze experimenteren, hoe ze overleggen met elkaar – kortom,  of ze uit de voeten kunnen.
Ronald Blikman, een collega van een andere school, die komt kijken hoe wij in het atelier werken, spreekt zijn verwondering uit over het feit dat de kinderen allemaal van begin tot eind actief en betrokken zijn en het naar hun zin lijken te hebben. Ik denk dat dat mogelijk te maken heeft met de cultuur op onze school. Onze leraren zijn zich er bewust van dat kinderen als je ze steeds precies voorschrijft wat ze moeten doen en ze nooit laat ‘zwemmen’, langzaam maar zeker steeds minder initiatief nemen en minder speels en vrij worden. We vinden het op De Kleine Reus belangrijk om de nieuwsgierigheid en het zelfvertrouwen waarmee kinderen de wereld tegemoet treden, te koesteren, en waar die beschadigd zijn, te herstellen.

Alle kinderen zijn druk bezig. Hun plannen lopen uiteen: Maxine maakt een ijsmachine. Wiemer maakt een boot met zwembad voor één van zijn knuffels. Thijs kijkt bedenkelijk: “Ik wil wielen onder mijn boot maar ik weet niet hoe.” Ik zie hem her en der rommelen tussen de materialen en even later komt hij terug met twee melkdopjes, wat ijzerdraad en een boortje. “Ik heb een idee”, glimt hij.

Ronald is benieuwd wat ons werk in het atelier te maken heeft met eenentwintigste-eeuwse vaardigheden – iets waar het bestuur meer aandacht voor wil vragen in de scholen. Hoewel ik geen liefhebber ben van de term – behalve ict zijn het allemaal dingen die altijd belangrijk zijn geweest  - kan ik best iets bedenken. Ons werk in het atelier sluit denk ik het meeste aan bij de eigenschappen “agility” en “adaptability”, die naar verondersteld extra belangrijk zouden zijn in de 21e eeuw. Het is het vermogen je soepel aan te passen aan veranderende omstandigheden. Dingen verlopen altijd anders dan je denkt. Dat vereist een zekere flexibiliteit en aanpassingsvermogen.

De opdracht om aan de slag te gaan zonder dat de juf voorschrijft hoe en wat, dat is voor sommige kinderen – murw geworden door de gangbare schoolpraktijk - een hele uitdaging. Als kinderen vervolgens proberen met materiaal en gereedschap een plan te verwezenlijken dat hen voor ogen staat, komen ze in aanraking met een zekere frictie. Ze willen iets maken, en dat lukt niet zonder meer, het materiaal voegt zich niet zonder meer naar hun wens. Dan moeten ze nadenken hoe ze het nog anders aan kunnen pakken. Op die manier leren ze omgaan met de weerbarstige werkelijkheid en de spanning tussen wat je wil en wat lukt.

Ik kijk toe en waar ik nodig ben denk ik mee. Wat overigens niet wil zeggen dat ik meteen toesnel als ik rimpels zie in iemands voorhoofd: laat die hersens maar even kraken - daar wordt belangrijk werk verricht. Ik let vooral op of niemand zich brandt aan het lijmpistool en of het allemaal goed verloopt bij het zagen. En ondertussen stel ik voortdurend vragen – dicht bij, een op een - om te horen wat de kinderen te vertellen hebben over hun plannen, over de obstakels die ze tegenkomen in de uitvoering ervan, en hun ideeën voor een mogelijke oplossing.

Bij het opruimen moeten we altijd oppassen dat de knutsels niet met het afval in de prullenbak verdwijnen. Het is namelijk niet altijd goed te zien wat het is, of zelfs maar dát het iets is. Een belangrijke rol is daarom ook altijd weggelegd voor het presenteren van wat er gemaakt is.  Terug in de klas vertellen de kinderen, vaak samen met degenen met wie ze hebben samengewerkt, wat het is dat ze gemaakt hebben en hoe het werkt, wat het doet of waar het voor is. Ook vertellen ze waar ze tegenaan gelopen zijn bij het knutselen, en hoe ze bepaalde obstakels  hebben overwonnen.

Thuis vragen hun ouders ook nog eens wat het is, waar ze mee thuis zijn gekomen, en soms mailen ze me zelfs wat hun kind er thuis bij heeft verteld.

De week daarop vragen de kinderen: Wanneer gaan we weer naar het atelier?


donderdag 19 maart 2015

Leraren klooien met ledjes en batterijen

Eens in de twee jaar organiseert Openbaar Onderwijs aan de Amstel een studiedag voor alle tweeëntwintig scholen binnen het bestuur. Deze keer was de dag gevuld met talloze workshops die te maken hadden met programmeren, technologie, blended learning, mediawijsheid, 21st Century Skills en wat dies meer zij, verzorgd door onder andere Pauline Maas, Olaf de Groot, Michel van Ast, Wieke Heikoop, Arnoud Kuijpers en veel anderen.

Hier en daar gaven ook leraren van de scholen zelf een workshop, en dat vind ik persoonlijk altijd het mooist: leraren die met elkaar delen wat zij zelf in hun klas ontwikkelen. Zoiets maakt op mij veel meer indruk dan iemand als ruimtevaarder André Kuipers, die de dag afsloot met een ellenlange diavoorstelling van buitenaardse vakantiekiekjes, en er niet in slaagde een brug te slaan naar de praktijk van het onderwijs.

Nee, dan de workshops. Astrid Poot en ik gaven er ook één: “Onderwijs is een avontuur!” Over de vraag hoe je kinderen kunt leren omgaan met het onvoorspelbare. Want dat is iets waar in het onderwijs weinig aandacht aan wordt besteed.

Kinderen leren al snel dat het er op school om begonnen is te achterhalen welk antwoord de leraar, de methodeschrijver en de toetsontwikkelaar willen horen. Als je dat te weten kunt komen, dan krijg je een punt. Wie daar niet zo goed in is, of niet bereid is zich aan dat format te conformeren, faalt. En dat is een kwalijke zaak, want je wil juist nieuwsgierigheid, verbeeldingskracht en vindingrijkheid cultiveren, je wil dat kinderen problemen niet uit de weggaan maar dat ze met elkaar op zoek gaan naar mogelijke oplossingen. Dat wil je, niet alleen omdat het bedrijfsleven mensen zoekt die dat soort kwaliteiten hebben, maar ook en vooral, omdat ze met die kwaliteiten vrij en volwassen de wereld in kunnen, straks.

Al die kwaliteiten raken afgestompt als kinderen op school steeds de ervaring opdoen dat het niet loont om zelf na te denken, dat er geen ruimte is om samen een probleem te onderzoeken en iets uit te proberen, want er is maar één antwoord goed, en dat staat in het antwoordenboek. Dus zeg het nu maar gewoon juf, wat is het antwoord?

Als je kinderen wil leren omgaan met het onvoorspelbare, dan moet je je onderwijs anders inrichten. Situaties scheppen waarin niet bij voorbaat vast staat hoe het moet of waar je uit moet komen. Daar komt bij: als je kinderen een bepaalde attitude bij wil brengen, dan lukt dat alleen als je die attitude kunt voorleven.  In hoeverre ben jij als leraar in staat en bereid de controle los te laten en om te gaan met het onvoorspelbare?

In de workshop wilden we hier niet zozeer over praten, maar veeleer iets doen, waardoor de deelnemers – leraren – zouden ervaren waar dit over gaat. We hadden niet zo expliciet aangekondigd dat we zouden gaan klooien met elektronica, anders zouden er alleen mensen zijn gekomen die dat vanzelf al leuk vinden. We wilden juist mensen bereiken die van zichzelf denken dat ze daar niks mee hebben. Dat is goed gelukt. Bij elk van de drie rondes werd er aan het slot door een aantal deelnemers gezegd: “Ik dacht dat deze workshop heel ergens anders over zou gaan, en eerst kreeg ik het heel warm en dacht ik, ik wil weg, maar ik heb me eroverheen gezet en nu ben ik toch blij dat ik iets gemaakt heb - dat het lukte.”

Dat was het mooist om te zien: dat een aantal mensen de eigen weerstand had overwonnen, een drempel over was gegaan, en hier en daar zelfs had ervaren dat het eigenlijk helemaal niet zo onprettig is om dat te doen, maar misschien zelfs wel een beetje opwindend.

Wat hebben we gedaan? In het atelier van De Kleine Reus hadden we een hoop plastic flessen, doppen, karton, rietjes, touw, gekleurd papier en aluminiumfolie verzameld. Qua gereedschap waren er stanleymessen, een zaagje, een lijmpistool, scharen, gewone lijm, plakband, afplaktape, draadstrippers. Iedere deelnemer kreeg een klein plat batterijtje (een knoopcel heet zo’n ding), een ledje, en stroomdraad, en de opdracht was: maak een lampje. Er was een werkbriefje van Astrid, waarop je kon zien wat je zou kunnen maken, en een grafische uitleg hoe je het lampje aan kon krijgen.

En dat was alles. Geen klassikale instructie, niks stap voor stap en dan doe je dit en dan doe je dat. Niks. Ga je gang.

En we zagen wat we indertijd ook bij de kinderen hadden gezien: ze gingen! Sommigen werkten samen, anderen alleen, sommigen begonnen met het ledje en de batterij uit te proberen of ze ‘m aan kregen, anderen gingen eerst met karton en papier aan de slag, er waren uitvinders en ontwerpers, er waren lezers en doeners, sommigen probeerden het werkbriefje te volgen, anderen lieten dat links liggen en probeerden gewoon maar wat totdat het werkte, sommigen waren blij als het lichtje ging branden, anderen rustten niet voordat ze een schakelaar hadden bedacht.

“Hij doet het niet!”

"Hij doet het!"

“Maar hoe krijg ik ‘m nou uit?”

“Maar hoe maak ik dan een schakelaar?”


Sommigen leken bij het eerste obstakel te verwachten direct door ons uit de brand te zullen worden geholpen met een glashelder: Dat moet zo. Maar dat deden we niet. “Dat ga jij bedenken.” Er was een enkeling die het echt heel onaangenaam vond dat niet volkomen duidelijk was wat de bedoeling was. “Ik ben gewoon iemand die het nodig heeft dat je precies zegt en voordoet hoe het moet - alleen dan lukt het.” We lieten haar zwemmen en ze kwam toch op gang, helaas nog zonder er erg van te kunnen genieten.

Een andere juf zei: “Leuk hoor, maar ik weet niet of dit nu voor alle kinderen geschikt is, ik denk dat het voor sommigen heel frustrerend is.” Is frustratie iets dat je zou moeten vermijden in de klas? Of is dat juist het moment waarop je iets begint te ontdekken wat je niet al vanzelf kon? Is dat niet juist het punt waar je als leraar en als leerling voortdurend naar op zoek moet gaan, het punt waarop je niet zomaar wrijvingsloos verder kunt? En dan doorzetten? Is dat niet precies wat ons te doen staat in het onderwijs: kinderen leren daarmee om te gaan, ja zelfs: daarvan te genieten, onder meer door voor te leven hoe veel plezier wij erin hebben?

Want ik hoop vooral dat mensen ontdekken – en vervolgens aan de kinderen kunnen voorleven – dat het een kick op zichzelf is: een grens overgaan, iets doen waarvan je dacht dat je het niet kon, omdat je dacht dat je “zo niet bent”. Ontdekken dat je kunt veranderen, dat je je kunt ontwikkelen.

Je doet jezelf tekort met “ik ben gewoon iemand die” – of je nu 8 bent of 48 of 68 of 88. Weerstand voelen is niet erg. Weerstand betekent niet: “Keer terug” maar: “Ga door!”. Er is altijd nog weer iets nieuws te ontdekken, je bent nooit klaar, en dat is een reden voor blijdschap.

donderdag 4 december 2014

Makered in groep 4

Al een poos volg ik @arjanvandermeij en @__pi op twitter. Zij zijn de pioniers van #makered in Nederland. Hun enthousiasme is zo aanstekelijk en ik word steeds zo blij van hun avonturen op de middelbare school waar ze met leerlingen van alles maken! Ze gebruiken daarbij allerlei technische snufjes zoals little bits, makey makey, arduino, raspberry pi, lasercutters, 3D printers en wat al niet, en hoe leuk ik het ook allemaal vind, toch lijkt het me allemaal steeds ver buiten mijn bereik. Ik heb die spullen niet, en ik ben ook een beetje bang dat ik er niet veel van zou snappen als ik ze wel had.

Maar langzaam maar zeker raak ik er steeds meer van overtuigd dat het niet om de technische middelen gaat, maar om de gedachte erachter. Het besef, dat het gewoon heerlijk is om dingen te maken, ook als je nog niet weet wat het moet worden, en om gaandeweg uit te vinden hoe je de hindernissen die je in het construeren tegenkomt kunt nemen. Dat je de kinderen daartoe de ruimte kunt geven, maar ook jezelf: jij hoeft als leraar ook niet van te voren te weten hoe alles werkt, hoe het moet, wat het moet worden en hoe het eruit moet komen te zien.

Vroeger dacht ik dat knutselen op de basisschool was: een werkje kiezen, materiaal klaarleggen, duidelijk instructie geven en dan de kinderen zover zien te krijgen dat ze jouw plan naar behoren uitvoeren. Ouders en collega's moesten - zo dacht ik - goed kunnen zien wat mijn bedoeling was geweest, en dat ik het goed had uitgelegd, aan het feit dat al die werkjes er aan het einde nagenoeg hetzelfde uitzagen. Dat idee van knutselen stond me tegen, maar ik had het me nooit eerder zo bewust gemaakt.

Sinds ik het gezichtspunt heb omarmd, dat het erom gaat dat kinderen zich vrij voelen om te experimenteren en materiaal te ontdekken en plezier te beleven aan iets maken, en dat het, zowel voor mij als voor hen, bijzaak is hoe het er tenslotte uit komt te zien, is het heerlijk om vrijdagmiddag naar het atelier te gaan.

Wat doe ik? Ik vraag de kinderen om 'schoon' afval mee te nemen - flessen, doppen, deksels, dozen, bakjes, alles waarvan ze denken: daar ga ik wat mee maken, en dan nemen we dat 's middags na de lunch mee naar het atelier. Ik zorg voor lijm, scharen, touw, elastiek, tape - en ze gaan aan de slag. Ik denk mee waar ik daartoe word uitgenodigd, en neem soms iemand mee om te laten zien hoe anderen een vergelijkbaar probleem oplossen.

Zo zag ik een keer een jongen ingespannen proberen om plastic doppen op satéprikkers te plakken met papierlijm. Dat wilde niet lukken. Anderen hadden een handboor ontdekt en samen met mij gaatjes in de doppen weten te boren, waar de prikkers doorheen konden. Ik liet het hem zien en al gauw stond hij klaar met zijn doppen om ook de boor te gebruiken.

Aan het eind nemen de kinderen de merkwaardige constructies weer mee naar de klas, waar ze aan elkaar laten zien wat ze hebben gemaakt, en er het verhaal bij vertellen. Als vanzelf praten ze over hun bouwsels als uitvinders over hun uitvindingen.

Een keer hebben we voertuigen gemaakt. Ik vraag: Er zitten geen wielen onder?
Antwoord: Nee, er komt slijm uit de bodem, daar glijdt ie op!

Na de presentaties vraag ik: Is er nog iemand ergens tegenaan gelopen waarvan hij zich afvraagt, hoe je dat zo kunnen oplossen? En is nog iemand die zegt, dat zouden we moeten hebben in het atelier, wat er nu nog niet is?

Als de uitvindsels mee naar huis gaan, vermoed ik dat collega's en ouders er niet aan af zullen kunnen zien, wat onze bezigheden in het atelier nu helemaal hebben opgeleverd. Maar de kinderen en ik weten het, en dat is ons genoeg. Met een beetje geluk vertellen ze thuis het verhaal erbij, waardoor hun werk ook daar weer tot leven komt.


Lekker klooien met gereedschap

Twitterend over mijn avonturen met groep 4 in het uitvinderslab, kwam ik in contact met . Net als   en  heeft ze een aanstekelijk enthousiasme als het gaat om dingen maken en ontdekken en uitvinden met kinderen. Groot voordeel: Astrid bleek in de buurt te wonen! Dus Astrid Poot kwam langs.

Aan de telefoon hadden we zitten brainstormen en waren we op het idee gekomen om de kinderen allerlei gereedschappen te laten uitproberen: een zaag, een hamer, een schroevendraaier, maar ook een lijmpistool en een soldeerbout.

Vooraf hadden we bedacht dat we een circuit zouden maken, zodat alle kinderen alle gereedschappen zouden kunnen uitproberen. In de praktijk merkten we al snel, dat de kinderen een of ander uitvindsel gingen maken van de plastic bakjes, flessen, doppen, deksels, boomstammen en plankjes die ze hadden meegebracht, en dat ze helemaal geen behoefte hadden om door te schuiven naar het volgende onderdeel. Al doende kwamen ze constructievragen tegen, waarbij nu eens het lijmpistool, dan weer de zaag en dan weer de hamer van pas kwam. Loslaten dus.


En waar wij, grote mensen, hadden verwacht dat iedereen in elk geval zou willen solderen, omdat dat in onze ogen toch wel het allerspannendste was, bleek dat voor de kinderen helemaal niet de grootste attractie.

De meeste verwondering zag ik bij het lijmpistool - dat die koude plastic-achtige staafjes aan de andere kant er als vloeibare en gloeiend hete (!) lijm uitkwam. Dat als je bijvoorbeeld een dop ergens op wilde lijmen, dat je dan de hitte van de lijm door de dop heen voelde aan je vingers! En dat als je teveel lijm ergens opdeed en te lang wachtte met er iets tegenaan drukken, dat de lijm dan weer koud en hard en plastic-achtig werd, en niet meer plakte. En die draadjes die de lijm vormde! Dat leek wel spinrag!

Het is steeds de kunst om te blijven zien wat er ter plaatse en in het moment gebeurt, en je niet te laten verblinden door je vooropgezette ideeën. Dat is het mooie van onderwijs vormgeven as we go along. Het ontstaat onder je ogen, onder je handen - die van jou en die van de kinderen.

Dus mensen die me nu ineens via twitter bestoken met allerhande leskisten en techniekmethodes - they are missing the point. De kracht zit 'm er precies in, dat we ter plekke samen op avontuur zijn.

Dankjewel Astrid! Het was ons een groot genoegen!