woensdag 30 juli 2014

Het belang van Biesta

Soms krijg ik de indruk dat we in Nederland het onderwijs zijn gaan beschouwen als een werkveld voor mensen die niet veel te kiezen hebben. Als je echt wat kan, dan kies je een beroep met meer status en meer uitdaging. Dat ik als doctor in de wijsbegeerte voor het basisonderwijs koos, heeft al menig wenkbrauw doen rijzen. Zelf  heb ik altijd voor ogen gehouden dat onderwijs geven aan jonge kinderen een van de gewichtigste taken is die ons in het leven te doen staan. Toch is het fijn en ook belangrijk dat de waardigheid van het onderwijs ook door anderen onderkend wordt.

Gert Biesta laat zien dat het geven van onderwijs geen aangelegenheid is voor laagopgeleiden met beperkte mogelijkheden, maar dat het integendeel een zekere virtuositeit en wijsheid verlangt die niet iedereen gegeven is en die enkel door jarenlange toewijding verworven kan worden.

Hij doet dit onder meer door ons bewust te maken van de complexiteit van het onderwijs, door in kaart te brengen hoe verschillende dimensies in het onderwijs werkzaam zijn (kwalificatie, socialisatie en subjectwording), en hoe die dimensies elkaar onderling beïnvloeden. Een leraar bespeelt voortdurend alle drie de velden en moet daarin steeds keuzes maken.

Dit maken van keuzes laat zien dat het onderwijs geen kwestie is van het technisch produceren van geslaagde leerlingen, maar één van moreel handelen. Want aan alles wat je als leraar doet gaat impliciet of expliciet een oordeel vooraf. Ogenschijnlijk zijn leraren in hoofdzaak bezig met het wat en het hoe (wat ga ik ze leren en hoe pak ik dat aan), maar voordat we aan de slag gaan hebben we altijd al een impliciet oordeel geveld over het waartoe. Als we ook maar iets doen in de klas, dan hebben we kennelijk al geoordeeld dat dat gedaan moest worden. We zouden ons meer bewust en expliciet moeten afvragen: waarom. Waar is dat oordeel op gebaseerd? Waarom moet het? Moet het wel? Wat is hier nodig? Wat is het goede om hier en nu te doen? Dat onvermijdelijke oordelen belast ons met een grote verantwoordelijkheid, en die verantwoordelijkheid brengt tegelijkertijd de waardigheid van ons beroep met zich mee, waarvan leraren en buitenstaanders vaak onvoldoende doordrongen lijken te zijn.

Enerzijds geeft Biesta ons inzicht in de waardigheid van ons beroep. Anderzijds maant hij ook tot bescheidenheid. Zo laat hij zien dat wat er in het onderwijs plaatsvindt tussen de leraar en de leerling, niet simpelweg beantwoordt aan of correspondeert met onze intenties. Veel in het onderwijs is een kwestie van gebeuren, waarbij het de taak van de leraar (en van de overheid) is, dat gebeuren niet in de weg te staan met goedbedoelde doenerigheid. Onderwijs is veel minder het resultaat van onze doelbewuste interventies dan men ons lijkt te willen doen geloven (denk bijvoorbeeld aan de evidence-based pestprotocollen).

In onderwijszaken past daarom een zekere bescheidenheid, zowel als het gaat om wat de overheid verwacht van de leraren, als wat betreft wat leraren menen te kunnen weten en bewerkstelligen met betrekking tot hun leerlingen.

Biesta laat verder zien dat onderwijs iets is dat plaatsvindt in interactie, in dialoog. Het gaat niet om afzonderlijke individuen die ieder hun eigen leerproces doormaken, maar om mensen die in samenspraak op zoek zijn naar wat de wereld te betekenen heeft. Wat er in die ontmoeting, in die dialoog gebeurt, ligt niet vast,  wij hebben er geen controle over. Een leraar kan een leerling iets laten zien dat voor hem helemaal nieuw is, en daarin is de leraar belangrijk. Een leerling kan niet alles uit zichzelf halen en ook niet alles op eigen kracht uit de wereld opdoen, hij heeft daartoe de leraar nodig. Maar of dat ook werkelijk gebeurt, of die vonk ook daadwerkelijk overslaat, dat ligt niet in de macht van de leraar. Hij kan dat niet afdwingen. Ook daar past een zekere bescheidenheid.

Het is die dubbele beweging, die voor mij de kern uitmaakt van wat Gert Biesta ons te vertellen heeft. Die paradoxale boodschap, dat we ons enerzijds meer bewust zouden moeten zijn van het gewicht van de opdracht van de leraar, terwijl we anderzijds een grotere bescheidenheid zouden moeten betrachten ten aanzien van wat de leraar vermag.


zaterdag 14 juni 2014

De Balie Leert, slotbijeenkomst

Rik Seveke legde me een aantal vragen voor, in voorbereiding op de slotdag van De Balie Leert. 

- Wat vind je van de ambitie van dit ministerie van OCW en strookt het met jouw eigen visie kijkend naar het systeem en de uitvoerders ervan?
- Hoe verhoudt het beleid van Dekker zich tot de praktijk van de leraar in de klas?
- Wat gaat goed/beter sinds Dekker staatssecretaris is geworden? 
- Wat moet beter/anders?
- Wat is DE GROTE ONDERWIJSVRAAG voor de komende 5 jaar?
- Anders?..

Ik kon er helaas niet bij zijn maar dit is wat ik Rik mailde in antwoord op zijn verzoek:

Het streven van de minister naar excellentie komt op mij tamelijk overspannen en angstvallig over. Goed onderwijs is iets anders dan excellent onderwijs. Net zoals een competente leraar nog geen goede leraar is, zoals Gert Biesta zegt.

Het geloof in evidence based technieken en protocollen geeft bepalend richting aan het overheidsbeleid tav onderwijs. Dat baart me zorgen. Onderwijs bestaat voor het overgrote deel uit onmeetbare, onbewijsbare relaties en betekenissen, die alleen op fenomenologische wijze bestudeerd kunnen worden. De pedagogische relatie speelt zich af in een andere dimensie dan die waarin statistische gegevens en evidence based technieken een rol spelen. Er is dringend een onderwijspedagogisch reveil nodig, op scholen, in onderwijsonderzoek en in onderwijsbeleid.

De door Dekker uitgevaardigde lijst van goedgekeurde pestprotocollen is een symptoom van een misleid begrip van wat er daadwerkelijk in scholen gebeurt, en wat daar nodig is.

Dekker lijkt geen oog te hebben voor het prachtige risico van onderwijs. Hij smoort de kans voor leraren om het ethisch appel te horen. Hij smoort het in een doorgeslagen verantwoordingsdrift en een wat neurotisch aandoend verlangen als Nederland het beste jongetje van de PISA-klas te willen zijn.

Wat beter gaat is dat door de onder Dekker nog verder doorgedreven afrekencultuur, leraren eindelijk uit hun sluimerstand lijken te ontwaken.

Wij leraren hebben het zelf zover laten komen omdat we zelf niet eerder het initiatief naar ons toetrokken. Eindelijk lijkt het nu tot leraren door te dringen dat zolang we zelf die ruimte niet vullen een ander met minder verstand van zaken erin zal springen. Er zijn steeds meer bewuste, kritisch denkende leraren die zich uitspreken en met elkaar in dialoog gaan en elkaar inspireren via sociale media. Dat is een goede ontwikkeling.

De grote vraag voor de komende vijf jaar is: hoe gaan we het systeem keren zonder het werk met de kinderen stil te leggen. Hoe gaan onderwijsorganisaties eruit zien naarmate leraren meer de onderwijsontwikkeling zelf ter hand nemen en zelf hun dialoogpartners in het onderwijsonderzoek en elders gaan zoeken? Hoe gaan hogere lagen in de hiërarchie leren omgaan met hun veranderde plek en rol in onderwijsorganisaties?

Tot zover mijn reactie op Riks vragen. Jammer dat ik er niet bij kon zijn.

woensdag 11 juni 2014

Ken uzelve

Om een goede leraar te zijn moet je niet alleen van alles kunnen, maar in de eerste plaats iemand zijn. Met name door wie je bent in het spel te brengen, word je een aansprekende en inspirerende leraar.

Dat lukt alleen als je onderzoekt wie je dan wel wezen mag. Hoe je jezelf ziet als leraar, en waarom je de dingen doet zoals je ze doet. Op grond van welke ervaringen je keuzes maakt om dit wel, dat niet te doen. Welke waarden voor jou essentieel zijn in de uitvoering van je vak.

Dat zelfverstaan is een proces dat voortdurend in beweging is. Het is niet zo dat je op een dag bij jezelf naar binnenkijkt en daar kennis aantreft omtrent jezelf als professional - kennis die je dan voortaan in bezit hebt. Het is iets dat je ontwikkelt door met jezelf en anderen in gesprek te gaan, keer op keer.

De professionele know how van een leraar is nooit louter technische kennis op basis waarvan je kunt zeggen: dit maakt hem tot een goede leraar. Het handelen van een leraar is altijd ook gebaseerd op morele keuzes: doe ik met mijn handelen recht aan de leerlingen die aan mijn zorg zijn toevertrouwd? Op die vraag is geen definitief en altijd geldig antwoord te geven.

Kelchtermans schrijft hierover in Leraar wie ben je?: "In die zin wordt leraarschap gekenmerkt door kwetsbaarheid: er is geen onbetwistbare verantwoordingsgrond. Daarenboven is onderwijs niet alleen iets wat men 'doet' [...] maar in belangrijke mate iets dat 'gebeurt' [...]. Alle inspanningen, inschattingen en interventies ten spijt heeft de leraar niet in de hand of de lerende leert, wat hij leert enz. Ook dezedimensie van passiviteit, van gebeuren is onontkoombaar en draagt bij tot de kwetsbaarheid van het leraarschap."

Overigens is deze kwetsbaarheid niet zozeer iets wat je moet uithouden, maar eerder iets wat je zou moeten koesteren. In de competentiematrix voor leraren die de SBL heeft ontwikkeld is helaas voor deze dimensie van kwetsbaarheid geen oog, en dat is niet slechts een omissie. Het is niet slechts iets dat niet genoemd wordt. Het niet noemen is een regelrechte ontkenning van de waarde van kwetsbaarheid.