maandag 3 februari 2014

Evolutie in groep 4


Vorige week kwam in Nieuws? uit de Natuur! kort een plaatje in beeld van de evolutie van aap tot mens. De kinderen in mijn klas (groep 4) reageerden er sterk op. Ik dacht: Hm, kennelijk leeft dat bij ze. De week daarop laat ik de videoclip zien van Fatboy Slim "Right here, right now". Die clip is een animatie waarin de evolutie van eencellige tot mens wordt uitgebeeld, onder begeleiding van opzwepende muziek.

Ik ga achterin de klas zitten en neem de reacties in me op. De kinderen kijken gefascineerd naar de clip. Steeds roepen ze: "Nou is het een vis!" "Een krokodil!" Een meisje kijkt me vragend aan: "Het verandert steeds, hoe kan dat nou?" Een ander kind zegt wijs tegen haar buurman: "Dit is echt gebeurd hè?"

Uit alle kreten en reacties krijg ik een indruk van wat er leeft bij de kinderen, wat ze al weten, wat ze erbij denken. Na afloop van de clip vraag ik ze: "Wat hebben we nou gezien? Waar gaat dat filmpje over? Wie weet daar iets van?"

Een jongen noemt het woord "ontwikkeling", een ander komt met "evaluatie". Bijna goed, het is een woord dat er op lijkt. Iemand anders? Evolutie heet dat, geef ik tenslotte zelf aan. Misschien kennen jullie dat woord van Pokémon? Pikachu is eerst Pichu en later Raichu. Hij verandert steeds een klein beetje en dan heeft ie nieuwe krachten. Een aantal kinderen knikt bevestigend.

Zoiets is er ook gebeurd in de ontwikkeling van de eerste kleine diertjes tot nu. In de clip ging dat heel snel, maar in het echt is dat heeeeeel langzaam gegaan. Dat heeft miljoenen jaren geduurd. De wereld is al miljarden jaren oud.

Op het bord schrijf ik het getal 5.000.000.000. Tot ongeveer zo lang geleden was er helemaal niks. Een meisje vraagt: "Wat is dat, niks?" Ik geef toe, dat dat iets onvoorstelbaars is. Er waren geen sterren, geen planeten, er was geen ruimte en geen tijd. Je kunt je er niks bij voorstellen. En toen kwam er een ontploffing. "De oerknal!" gaat er iemand een licht op. Een ander verstaat "oerkwal", mogelijk vanwege de kwal uit de clip, waarin het eerste onduidelijke kwakje waar het leven mee begon veranderde. Ik schrijf het woord op het bord. "Oerknal." Het is nog niet bij alle kinderen bekend. Zo leren we met elkaar.

Na die oerknal was er nog een hele poos geen leven. Pas toen de aarde een beetje was afgekoeld en er water was, begonnen er op een gegeven moment hele kleine diertjes te leven in het water. Hoe dat kon gebeuren, dat weten we eigenlijk nog steeds niet. Maar daar is alles mee begonnen. En die piepkleine diertjes die zijn in de loop van miljoenen jaren langzaam maar zeker veranderd, eerst in visjes, en toen gingen sommige visjes op het land en kregen ze pootjes. Eerst legden ze allemaal eieren - "Reptielen!" roept een jongen - later kregen sommige dieren baby's. "Zoogdieren!" roept een ander. Sommige van die reptielen werden heel groot, dat waren de dinosauriërs. Die aten de zoogdieren op, dus toen hadden de zoogdieren het wel moeilijk.

En toen is er een kometenregen gekomen, en daardoor kwamen er heel veel rookwolken die de zon tegenhielden en toen werd het heel koud, en daar konden de dino's niet tegen, en die gingen toen allemaal dood. Die zijn toen uitgestorven. Voor de zoogdieren was dat fijn, die hadden het daarna veel gemakkelijker. En daardoor konden ze zich verder ontwikkelen. Zo zijn er na verloop van tijd aapachtigen gekomen, en sommige van die aapachtigen, daar zijn weer mensen uit voortgekomen. Het is een gek idee dat als die kometenregen er niet was geweest, dat er dan misschien wel nooit mensen zouden zijn gekomen. Ik zie een meisje een beetje duizelen bij die gedachte, en ik denk: ik heb mijn doel bereikt voor vandaag. Zij heeft een glimp opgevangen van de duizelingwekkende oneindigheid van alles.


Het gaat mij niet om de wetenschappelijke basis van de evolutietheorie. Daar moet je zeven/achtjarigen niet mee lastigvallen. Het is juist de magische kracht van dit verhaal waar deze jonge kinderen zich vol aan weten over te geven. Niemand vraagt ook: Hoe weten ze dat nou? In de bovenbouw zou het vast heel anders gaan.

Op het laatst kijken we nog een keer de clip van Fatboy Slim. De kinderen kijken er nu met andere ogen naar. Maar nog altijd met die fijne voorwetenschappelijke blik, zonder onderscheid tussen wat 'echt' is en wat niet. Dat laten we heerlijk in het midden.

Maar dan zegt een jongen, lachend, alsof ie ontdekt dat ie gefopt is: "Het is niet echt! Iemand gooide gewoon een spijkerbroek!"

P.S. Overigens staat in de kerndoelen dat je pas bij de jagers en boeren hoeft te beginnen. Dat maakt dat je de hele vraag rond schepping of evolutie kunt omzeilen of naar eigen inzicht invullen. Je kunt dus ook gewoon doceren dat de wereld zesduizend jaar oud is en dat God hem in zes dagen geschapen heeft. En daarmee basta. Wat vinden we daarvan?


maandag 27 januari 2014

Rechtvaardigheid

Deze week toetste ik de leestechniek van de kinderen in groep 4. De toets bestaat uit drie woordenlijsten, een met relatief gemakkelijke woorden, een met verhoudingsgewijs moeilijke, en eentje er tussenin. De leerling krijgt per lijst een minuut om zoveel mogelijk woorden vlot en nauwkeurig te lezen. Een al te grote snelheid leidt tot fouten, een al te grote nauwkeurigheid leidt tot vertraging. Het komt erop aan het juiste midden te vinden.

Aangezien het woorden zonder context betreft, kan vrij nauwkeurig worden vastgesteld of een kind de techniek van het decoderen beheerst. Dat de lezer geen steun heeft aan context, zoals in een verhaal, zou de objectiviteit van de resultaten ten goede komen. De toets wordt individueel afgenomen.

Alles heeft er de schijn van, dat het hier een toets betreft, op grond waarvan ik een rechtvaardig oordeel kan vellen over de technische leesvaardigheid van een kind, en dat ik die bovendien op eerlijke wijze kan vergelijken met die van andere kinderen. De toets zou namelijk ‘harde data’ opleveren  -  een formule die op sommigen een geruststellende uitwerking lijkt te hebben, maar die mij eerder verontrust vanwege de schijnzekerheid die hij biedt.

Om te beginnen nemen sommige leraren deze toets achterin de klas af, terwijl de andere kinderen min of meer zelfstandig en stil aan het werk zijn. Andere leraren toetsen ongestoord in een aparte ruimte, terwijl een assistent de groep waarneemt. Soms is het de assistent die toetst. Er zijn zelfs scholen waar ouders de Drieminutentoets afnemen. Sommigen nemen de tijd om elk kind op z’n gemak te stellen, anderen beperken zich, vanwege tijdsdruk of ter wille van een vermeende objectiviteit, tot de meest basale procedurele interactie. Zulke verschillen beïnvloeden de vergelijkbaarheid van de resultaten zodanig, dat van ‘harde data’ in feite geen sprake kan zijn.

Zo zeg ik bijvoorbeeld tot elk kind: “Wil je beginnen met de moeilijkere woorden?  Zeg je, dan heb ik die maar gehad en dan wordt het daarna makkelijker? Of zeg je, laat me maar beginnen met de makkelijke, dan kan ik eerst even warm draaien?” 

Die keuze laat ik ze. Ten eerste, omdat ik denk dat het op zich al geruststellend is als je nog wat te kiezen hebt in zo’n setting, en dat dat gevoel van zeggenschap maakt dat je beter kunt laten zien wat je kan. En ten tweede, omdat ik denk dat voor de een het ene fijner is en voor de ander het andere. Het lijkt mij rechtvaardig om rekening te houden met ieders persoonlijke voorkeur.

Maar terwijl ik het opschrijf denk ik, misschien zegt een ander wel: dat is toch niet eerlijk? Dan zijn de resultaten toch niet meer vergelijkbaar?

Iets anders is de objectiviteit die men meent te bereiken door sec de techniek van het decoderen te toetsen. Kinderen scoren op de AVI-toets - de toets op basis van verhaaltjes - vrijwel altijd beter dan op de Drieminutentoets. De AVI-toets zou een vertekend beeld geven: de lezer maakt mischien handig gebruik van de context, zonder de loutere decodeertechniek voldoende vlot te kunnen toepassen. Maar is lezen in het echt niet altijd: lezen in een context? Wie is er gediend met de quasi degelijkheid van de DMT?





zondag 19 januari 2014

Het zekere weten voorkomen

"In de klas is het belangrijk een zeker ontzag te hebben voor de uiteindelijke onkenbaarheid van de ander. Je kunt je verdiepen in een kind, je kunt heel betrokken zijn bij wat een leerling nodig heeft, je kunt de ambitie hebben aan te sluiten bij de belevingswereld van het kind, maar uiteindelijk moet je altijd de bescheidenheid bewaren dat al je ideeën daarover slechts interpretaties zijn. Leraren kunnen vanuit hun leiderspositie gemakkelijk in de val trappen dat ze denken te weten wat een kind bezielt, waarom een kind achterstevoren zit of voor zijn beurt praat of slordig schrijft of zijn werk niet af heeft. Het is belangrijk altijd de mogelijkheid open te houden dat het anders is dan jij denkt. Zolang je dat voor mogelijk houdt, kijk je beter naar je leerlingen en blijf je jezelf en de ander vragen stellen. Het maakt dat je met je leerlingen in gesprek blijft over wat er aan de hand is." 

Citaat uit een interview van Lidy Peters met ondergetekende in Beter Begeleiden, januari 2014